Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flitsen - (bloot over straat rennen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

flits zn. ‘pijlsnel licht’
Vnnl. flitse ‘pijl (als wapen)’ [1555; Luython], ook eenmaal flirtse [1603; WNT], maar daarna alleen flits [1605; WNT worden]. In de (huidige) overdrachtelijke betekenis ‘korte lichtstoot’ eerst vooral in samenstellingen: blixemflits [1638; WNT bliksem], daarna ook flitsen (mv.) ‘bliksemflitsen’ [1644; WNT]. Nnl. ‘kunstmatige belichting bij het fotograferen’, in samenstellingen als flitslamp [1943; WNT Aanv.], flitslicht [1948; Kramers EN].
Via het Picardisch (dat de Nederlandse /ts/ verklaart) ontleend aan Frans flèche ‘pijl (als wapen)’ (Oudfrans fleche [eind 11e eeuw; TLF], fleke [1250-1300; FEW]), dat zelf een Germaans leenwoord is, wrsch. uit onl. *fliekka, dat bewaard is gebleven in mnl. vlieke ‘pijl (als wapen)’ [1315; MNW] en mnd. vlēke ‘id.’, in betekenis ontwikkeld uit ‘veer(pen) van een vogel’ en etymologisch bij → vliegen horend.
In de fotografie zijn de 20e-eeuwse samenstellingen flitslamp, flitslicht etc. leenvertalingen van Duits samenstellingen als Blitzlicht, bij het ww. blitzen ‘oplichten, glinsteren’, later ‘flitsen, bliksemen’, waaruit later het zn. Blitz ‘flits, bliksem’ is gevormd, zie → bliksem.
In het Nederlands bestonden ook enige tijd woorden als blitzlampje [1958; WNT Aanv.], blitzlicht [1962; WNT Aanv. grond], met het onvertaalde Duitse element Blitz-.
Aan het Nederlandse woord flits is ontleend Middelnederduits flitse, flitsche ‘pijl’ en van daaruit ook Hoogduits Flitz [1579] (nu alleen nog in afleidingen en samenstellingen).
flitsen ww. ‘snel wisselende lichtstralen uitzenden; voortschieten als een bliksem; een flitslicht laten werken’. Nnl. flitsen ‘voortschieten (ook overdrachtelijk)’ in als een bliksemschicht flitste deze gedachte door haar brein [1901; WNT spook], ‘snel wisselend stralen’ in het licht flitst rood, groen en wit [1922; WNT Aanv. culminatie], flitsen ‘met een flitslamp fotograferen’ [1961; van Dale], specifiek ook ‘een verkeersovertreder fotograferen met behulp van een flitslicht’ [1993; Reinsma 1999]. Afleiding van flits ‘flitsend licht, bliksem’, in de fotografische betekenissen afleiding van flits ‘flitslicht’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flitsen [bloot over straat rennen] {na 1950} vertaling van engels to streak, dat verwant is met nederlands strijken; in de jaren zeventig was het enige tijd mode om als teken van protest naakt over straat te gaan.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

flitsen (Duits flitzen)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

flitsen ‘kort schijnen; een flitser gebruiken’ -> Duits flitzen ‘(met pijlen) schieten; snellen; stuiven’ (uit Nederlands of Nederduits); Duits flitschen; Sranantongo flets ‘kort schijnen; een flitser gebruiken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flitsen bloot over straat rennen 1976 [GVD]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

flitsen, het door de politie fotograferen van snelheidsovertreders.

Elk half uur, en als het moet nog frequenter, meldt de discjockey van dienst met een opgewonden toontje waar de politie aan het flitsen is. (Trouw, 08/05/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut