Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flikker - (onbetrouwbare kerel; homoseksuele man)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

flikker 2 zn. ‘onbetrouwbare kerel; homoseksuele man’
Nnl. flikker ‘lichtzinnige jongen of meisje’ [1899; WNT], “scheldnaam zonder bepaalde beteekenis” [1906; Boeventaal] zoals in zoo oud as-t-ie was, was 't een lastige flikker [1904; WNT], “vuilik, sodomieter” (= ‘homoseksuele man’) [1906; Boeventaal].
Herkomst onduidelijk. Misschien een afleiding van → flikken in de betekenis ‘vrijen’ of een betekenisontwikkeling van een verouderd woord flikker ‘danssprong’ [1855; WNT] dat net als → flikker 1 is afgeleid van → flikkeren en dan misschien verband houdt met flick-flack. Een derde mogelijkheid is dat het afgeleid is van Bargoens flick ‘knaap’ [1547; Moormann], dat ook voorkomt als Rotwelsch flick ‘id.’ [1510; Rey flic] met varianten in de betekenis ‘deerne’ (Endt). Er wordt wel een verband gelegd met Zweeds flicka dat nu ‘meisje’ betekent, maar in de 16e eeuw ‘lichtzinnige vrouw’ (evenals Noors flikja). Ook een samenhang tussen flick en → frik wordt wel geopperd.
Het woord flikker had oorspronkelijk en nog tot ver in de 20e eeuw een negatieve connotatie, maar is ook een geuzennaam beginnen te worden en heeft daardoor een meer neutrale status verkregen, zoals dat ook is gebeurd bij woorden als → nicht en → pot 2. Rotwelsch Flick ‘knaap’ is wrsch. door het Frans ontleend als flic ‘politieagent’, dat in het BN als flik terecht is gekomen (Debrabandere 2004).
Lit.: F. Debrabandere (2004), ‘Over smerissen, flikken en andere politiemannen’, in: Neerlandia 2004/1, 34-36

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flikker* [homoseksueel] {1901-1925} vermoedelijk een klankschilderende vorming in de sfeer van fieken en frik.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

flikker: homoseksueel. Bij Boekenoogen komt flikker nog voor in de betekenis van ‘gemene kerel’, bij Henke en Moormann wordt het woord omschreven als ‘vuilik, sodemieter’ en als scheldnaam zonder bepaalde betekenis. Over de herkomst werden meerdere suggesties gedaan. Volgens sommigen zou flikker afgeleid zijn van het Zweedse woord voor meisje, flicka. Zeelui zouden het naar Nederland geïmporteerd hebben. Endt (1974) denkt eerder aan de rechtruggige, gebruikte chocoladeflikken – achter elkaar in een doosje – van de negentiende-eeuwse fabrikant Caspar Flick. Verder is een verband met de Bargoense term flik voor speelkaarten niet uit te sluiten. Volgens het WNT zou flikker een verkorting kunnen zijn van sodeflikker. Het woord kan natuurlijk ook gewoon afgeleid zijn van het werkwoord flikken, dat zowel ‘iets handig klaarspelen’ als ‘een lelijke streek leveren’ en ‘vrijen’ kan betekenen. Het bijvoeglijk naamwoord flikkers betekent ‘verdomd, ergerlijk, vervelend’. Het werkwoord flikkeren heeft een hele reeks betekenissen: ‘onrustig vlammen, smijten, zaniken, van belang zijn (er een flikker toe doen), homoseksueel verkeer hebben’. Tegenwoordig is het woord meer een geuzennaam dan een scheldwoord. Homofielen verkiezen het woord flikker boven homofiel omdat het eerste strijdbaarder klinkt. In de jeugdtaal van de jaren tachtig wordt het ook gebruikt voor een vervelende kerel (zie Laps). Samenstellingen met flikker zijn ondertussen legio: flikkerband, flikkerfront, flikkerkrant, flikkerradio, flikkertheater enz.

‘De flikkers!’ schold giftig de kleine groentekoopman. (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)
Natuurlijk ben ik niet homoseksueel. Maar ik ben er wel eens voor gehouden. Eén- of tweemaal hebben ze me hier in de stad voor flikker uitgescholden… (Simon Vestdijk, Op afbetaling, 1952)
En dan jij maar zeuren over flikkers die De Lach lezen, omdat James Dean er in staat. (Remco Campert, Een ellendige nietsnut, 1960)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

flikker. Loop naar de flikker! is een verwensing waarin flikker een eufemistisch substituut is voor duivel. De verwensing heb ik aangetroffen bij A.M. de Jong in diens Merijntje Gijzens jeugd en jonge jaren. Ook voor Van Dale is het geen onbekende. De emotionele betekenis duidt op minachting, haat e.d. en kan weergegeven worden met ‘rot op’. → duivel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flikker* homoseksueel 1916 [WNT flikker I]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

572. Flikker,

een scheldwoord, zonder bepaalde beteekenis. Waarschijnlijk de stam van het ww. flikkeren, weerlichten; dan is te vergelijken bliksem, dat op dezelfde wijze gebruikt wordt, als ook donder. Het is echter niet onmogelijk dat andere beteekenissen van het ww. flikken, vleien, invloed hebben gehad; vgl. gron. flikkert, vleier; Boekenoogen, 212: flikker, gemeene vent, iemand die niet recht te vertrouwen is, een vleier, flikflooier; Köster Henke, 17: flikker, vuilik, sodomieter; veel als scheldnaam gebezigd, zonder bepaalde beteekenis; zoo o.a.: Mghd. 140; Sjof. 223: een lastige flikker; Mghd. 295: ouwe flikker, oude vent; Prol. 73: zoo'n vuile flikker; in den zin van lichaam in Mghd. 246; Prol. 8: Heb jij je vuile goed al geen zes weke an je flikker? en in de uitdr. iemand op zijn flikker geven, komen (Boekenoogen, 212); op zijn flikker krijgen (Opprel, 55), waarnaast sodeflikker. Verder komt het als versterking voor in geen flikker, o.a. in Diamst. 429: Je ziet haast geen flikker. In Zuid-Nederland is het woord ook bekend in de uitdr. bloote flikker, bloote achterste (Antw. Idiot. 1684) en in den zin van lichtzinnige jongen of meisje, meestal van meisjes gezegd; in dezen laatsten zin kan men uitgaan van flikkeren in den zin van dansen; een flikker is een luchtsprong (Antw. Idiot. 424). Syn. is flikkersteen (o.a. Nest. 34) hetzelfde als dondersteen, lazersteen, bliksemsteen, fri. blikstien, bvn. blikstiensch; Boekenoogen, 74: te blikstien; bliksemstien (scheldwoord). Zie no. 197 en vgl. nog Ndl. Wdb. III, 4552.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut