Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fles - (van boven nauw toelopend vat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fles zn. ‘van boven nauw toelopend vat’
Mnl. flassche, flessche, bijv. in boutaillen, tenin, houtin of lederin, vind men van allen maten, ende ooc noomt mense flasschen ‘flessen van tin, van hout, of leder, vindt men in alle maten en men noemt ze ook flessen’ [1350-1400; MNW], een flessche wijns [1460-62; MNW-P].
Erfwoord met een -e- ontstaan door umlaut van de oorspr. -a-. Een echte umlautsfactor -i- of -j- in de volgende lettergreep ontbreekt echter (maar vergelijk ook → es 1 ‘boom’ < onl. *aska). Wellicht is een palataal uitgesproken -ssch- van invloed geweest. Voor de ontwikkeling -essche > -es zie → as 2.
De verwante Germaanse woorden hebben allemaal een -a-: os. flaska; ohd. flasca (nhd. Flasche); oe. flasce, flaxe (me./ne. flask is hier niet de klankwettige voortzetting van, want die zou *flash luiden, maar is ontleend aan middeleeuws Latijn flasco, flasca), on. flaska (nzw. flaska); < pgm. *flaskō-, *flaska-. Nfri. flesse is ontleend aan het mnl.
Pgm. flaskō- wordt meestal verder gereconstrueerd tot ouder *flah(t)-skō-, dat dan een afleiding kan zijn van de wortel pie. *pleḱ- ‘vlechten’ (IEW 834), zie → vlechten.
Het is aannemelijk om pgm. *flaska- met de wortel voor ‘vlechten’ in verband te brengen, vanwege het vlechtwerk dat ter bescherming om de aardewerken of glazen flessen werd aangebracht.
Aan het Germaans ontleend zijn de diverse Romaanstalige woorden met betekenis ‘fles’: Laatlatijn flasco (genitief flasconis) ‘wijnfles’; van daaruit zijn ontwikkeld of ontleend: Italiaans fiasco (zie → fiasco), Oudfrans flascon (Nieuwfrans flacon, zie → flacon), ook Middelgrieks phlaskíon.
flessentrekker zn. ‘oplichter’. Nnl. flesschentrekker ‘id.’ [1897; WNT], eerder al in de afleiding flesschen-trekkerij ‘bedriegerij’ [1864; WNT]. Afgeleid van de Zuid-Nederlandse uitdrukking op flessen trekken ‘wijn of bier op flessen aftappen; bottelen’. In Vlaanderen bestond de gewoonte om het laatste bier van het vat, dat minder van kwaliteit was, in flessen te doen en door toevoegen van suiker en gerst weer drinkbaar te maken, vandaar de overdrachtelijke betekenis van op flessen trekken ‘bedriegen, beetnemen’. Een verkorte vorm daarvan is iemand flessen ‘id.’.
Lit.: V. Pisani (1976), ‘Tasche und Flasche’, in: Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 90, 18-19

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fles* [glazen vat met nauwe hals] {flassc(h)e, flessc(h)e 1351-1400} oudhoogduits flasca, oudengels flasce; het woord komt ook in het rom. voor, maar is hier waarschijnlijk ontleend aan het germ., vgl. middeleeuws latijn flasco, flasca, flascus; het germ. woord is waarschijnlijk verwant met vlecht en met grieks plekein [vlechten]; de oorspr. betekenis moet zijn geweest ‘mandfles’. Voor de uitdrukking op de fles gaan vgl. Antwerps op de fles zijn, gezegd van een zieke in het laatste stadium, die nog slechts voedsel of drank uit een fles tot zich kan nemen, ofwel moet men denken aan op flessen aftappen, waarbij dan de persoon wiens zaken misgaan wordt vergeleken met een leeg vat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fles znw. v., mnl. flassce, flessce, mnd. vlasche, vlesche, ohd. flasca (nhd. flasche), oe. flasce, flaxe (ne. flask), on. flaska (alleen in jong geschrift). De romaanse woorden (mlat. flasco, flasca, ital. fiasco, ofra. flasche) stammen uit het germaans. De huidige betekenis doet twijfelen aan een germ. oorsprong, maar het is mogelijk, dat zij uit een oudere is ontstaan. Het late optreden in het noordgerm. blijft dan toch bevreemdend. — Men kan uitgaan van een vlechtwerk van stro, dat om de glazen fles gewonden werd (dat kan reeds in de Romeinse tijd zijn geschied, daar glaswerk tot diep in de Germania verhandeld werd); in dit geval idg. grondvorm *ploksko bij de wt. *plek, waarvan ook nl. vlechten komt (Schrader-Roethe AfdA 23, 1897, 157 en Meringer WS 7, 1921, 12). — Minder geslaagd is (onder verwijzing naar nnoorw. flaska ‘melkkan’ en zwits. flasche ‘houten vaatwerk’) een aanknoping aan on. flatr ‘vlak’, dus ‘vlakke, platte schaal’, waarvoor het finse latisko als leenwoord < *flatiskōn maar weinig steun kan bieden (Karsten, FMS 5, 1937, 193).

Voor de e van fles zie esp, in dit geval natuurlijk geen umlaut, maar eerder invloed van de volgende sj-klank.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

flesch znw., dial. ook vles (Gron., Kampen, Vel.), mnl. flassce, flessce v. Voor de e uit a vgl. esp. = ohd. flasca (nhd. flasche), mnd. vlasche, vlesche, ags. flasce, flaxe (eng. flask), laat-on. flaska v. “flesch”. Uit ʼt Germ. finsch lasku, slav. *plosky (serv. plȍska) “een soort flesch”. Een oude ontl. uit lat.-rom. flasca (ofr. flasche, rhaet. flascha, it. fiasca, fiasco). Hiernaast een n-stam: mlat. flasco > fr. flacon > ndl. flacon.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

fles[ch]. De vorm vles ook Drechterl. De rom. woorden laten zich formeel het gemakkelijkst verklaren uit het Germ. Toch is germ. oorsprong van het woord, ook na Meringer WuS. 7, 12 vlgg. (germ. *flaskô- < idg. *ploḱ-sqâ-, eventueel *ploḱtsqâ- bij de groep van vlechten: ospr. benaming voor gevlochten en met leem gedicht vaatwerk) niet waarschijnlijk. Uit alb. plʼaf, ouder plʼah ‘bonte wollen deken’, waarop Brüch PBB. 56, 350 wijst, is ten hoogste de bestaanbaarheid van een idg. formatie *ploḱsqo-’vlechtsel’ af te leiden, maar het heeft geen bewijskracht voor de etymologie van fles[ch].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

flesch v., Mnl. flassce + Ohd. flasca (Mhd. vlasche, Nhd. flasche), Ags. flasc (Eng. flask), On. flaska (Zw. id., De. flaske); het woord bestaat verder in ’t Kelt.: Ga. flasg, We.. fflasg ook in ’t Rom. : Mlat. flasca (It. fiasco, Onfra. flasche, Nfra. flasque, flacon), in ’t Ngr. phlaskí en in ’t Slav.: Po. flasza, Se. flasca, Ru. fljaga. In al die talen ziet het er uit als een ontleend woord, maar van waar? Gewoonlijk neemt men als uitgangspunt Lat. vasculum, dimin. van vas, aan. Opmerkelijk zijn de vormen met p in Osl. ploskwa, Lit. plesba, Alb. plocke, Magy. palaszk, Turk. palaska. Het Finn. lasku is aan ’t Germ. ontleend. Ndl. e uit a vóór s + gutt. of lab.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

fles s.nw.
1. Bottel of houer, gewoonlik van glas, met 'n besondere vorm en wat vir 'n spesiale doel gebruik word. 2. Inhoud van 'n fles (fles 1).
Uit Ndl. fles (al Mnl. in bet. 1, 1634 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844) in die vorm flesch. Afr. fles val Mansvelt (1884) op omdat dit wat vorm betref, verwys na 'n houer met 'n 'wye nek', of wat 'kantig' is, ens. Tog kom die volgende samestellings in sowel Ndl. as Afr. voor: konfyt-, inmaak-, vrugte-, koffie-, tee- en termosfles. 'n Konfyt- of vrugtefles sou kwalik 'n lang, slank nek kon hê (die funksie en gevolglike inhoud bepaal die houer se bek- en nekgrootte).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

fles (de, -sen), (ook:) ronde, glazen of plastic pot, i.h.b. met een deksel. Pindakaas die je zelf maakt is veel pittiger en gezonder dan die rotzooi in flessen (B. Ooft 1969: 73). - Etym.: Volgens WNT (1920) is in het AN de bet. van ‘fles met een hals’ de oorspronkelijke, die van ‘ronde, glazen pot’ verouderd. Vgl. echter ‘weckfles’. - Samenst.: jamfles (zie S&S 279) e.d., stopfles*.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fles (Latijn flasco of erfwoord)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fles ‘glazen vat met nauwe hals’ -> Fries flesse ‘glazen vat met nauwe hals’; Schots † flas ‘kruithoorn’; Indonesisch pelés, flés ‘glazen vat met nauwe hals’; Ambons-Maleis flèsku ‘vierkante kelderfles’; Boeginees palêse ‘kelderfles’; Jakartaans-Maleis pelès ‘glazen vat met nauwe hals’; Javaans plès ‘glazen vat met nauwe hals’; Keiëes fles ‘vierkante fles’; Kupang-Maleis fles, flesko ‘vierkante fles’; Letinees vlèsa ‘glazen vat met nauwe hals’; Madoerees ēpples ‘vierkante fles, kelderfles’; Makassaars palêse, palêsé ‘kelderfles, vierkante jeneverfles’; Menadonees fles, flesko ‘vierkante fles’; Minangkabaus poleh ‘glazen vat met nauwe hals’; Savu wolehè ‘vierkante fles’; Sasaks pĕles ‘stopfles’; Soendanees pĕles, ples ‘flesje’; Ternataans-Maleis fles, flesko ‘vierkante fles’; Creools-Portugees (Batavia) flessoe ‘glazen vat met nauwe hals’; Creools-Portugees (Malakka) fles ‘glazen vat met nauwe hals’; Japans † furesu ‘glazen vat met nauwe hals’; Loup plas ‘glazen vat met nauwe hals’; Mahican pnàsch ‘glazen vat met nauwe hals’; Negerhollands flessis ‘glazen vat met nauwe hals’; Papiaments flèshi, fleishi, fleshi (ouder: fleisji) ‘flesje voornamelijk voor medicijnen; flacon’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fles* glazen vat met nauwe hals 1351-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

421. Te diep in 't glas (glaasje of de flesch) zien,

d.w.z. te veel, overmatig drinken. Ook zegt men: Hij heeft te diep in de kan gekeken, ‘dat wil zeggen, hy heeft de kan uitgepooit, en den bodem gezien’ (Tuinman I, 120), welke uitdr. in de 17de eeuw voorkomt (zie V. Moerk. 492 en 561) naast hij heeft te diep gewetert (Smetius, 211). Ook in het hd. zegt men: er hat zu tief ins Gläschen geguckt (Wander I, 1694) en in het Westphaalsch: hai hat te daip int glas kieken (Woeste, 47 b); vgl. ook Eckart, 158: he het to têf int Glas käken; 58: he hett to dêp in den Buddel kûke. Te vergelijken hiermede is het eng. to drink deep en het mnl. diepe drinken, in den zin van zwaar drinken, te veel drinken. In Zuid-Nederland ook: hij heeft te veel om hoog gekeken (Schuermans, 420 b, dat men kan vergelijken met Afrik. hy het in de son gekijk); in de flesch of in het glas gezien hebben; in het Haspengouwsch te diep in de flesch zien (Rutten, 67); bij Teirl. 317: Te diep in 't glas, in de pente, in de kanne kijken; Afrik. hy het in die bottel gekijk (Boshoff, 337); elders door 't glazeken gekeken hebben (Nav. 1897, bl. 60); te diep in 't kanneken kijken (Volksk. XIV, 144); fri. hy het to djip yn 'e romer sjoen.

570. Op de flesch zijn (of gaan),

d.w.z. bankroet, failliet (fr. faillite, ital. fallito) zijn, of zooals men in Groningen zegt: op 'n bokje zijn (Molema, 505); in het Haspengouwsch, Hagelandsch en ook bij ons den pot op zijn of gaan (vgl. eng. to go to pot; Rutten, 180; Tuerlinckx, 510; De Jager, Frequ. II, 455), geruïneerd, failliet, reddeloos verloren zijn. Vgl. de Schoolmeester, 39:

Wij zijn op de flesch, ik zie er geen gat in en mijn kruit is verschoten.
Onze eenige uitkomst zit hem nu nog alleen in de booten.

Braga, Voorzang:

Een Tijdschrift heel in rijm! Wie zegt nu nog
Met schuddend hoofd, dat Holland op de flesch is?

Nkr. VII, 11 Jan. p. 3: Als ons stuk niet trekt, gaan we op de flesch.

In het Antw. komt voor op de flesch staan, liggen, zijn, gezegd van een opgegeven zieke, die nog alleen uit een flesch kan eten en drinken, die dus reddeloos verloren is. Dit kan op iemands zaken zijn toegepast en zoo onze bet. hebben aangenomen. In het Ndl. Wdb. III, 4539 wordt verband gezocht met de uitdr. op flesschen trekken (op flesschen aftappen): de persoon wiens zaken misgaan, wordt vergeleken bij een vat, dat ledig raakt’; vgl. Waasch Idiot. 216 b: hij is op flesschen getrokken, haast ten onderen zijn voor fortuin, gezag of gezondheid; Rutten, 235 b: die tandpijn heeft hem fel getrokken, doen vermageren, verbleeken. Zie nog Noord en Zuid VII, 220 en XIX, 425. Het volk spreekt ook van op de flacon zijn, dat eene komische navolging is; vgl. St. L. 56: Die jongen gaat op de flacon!; Nkr. VIII, 18 Juli p. 2: Totdat natuurlijk, als er niet gauw een end aan komt, het roode luilekkerland op de flacon gaat; Nkr. X, 8 Jan. p. 2: Ook ik dacht, toen verleden jaar 't oorloggedoe begon, nu gaat 't N.V.V. tenminste lekkertjes op de flacon.

2566. Tegen de wieg stooten,

d.w.z. drinken (alcohol), aan de flesch likken. Vgl. Sjof. 28: Het was bekend dat-ie lekker an de wieg stootte; S. en S.: Zoo'n meesterknecht is ook de kwaaiste niet, als je 'm zoo nou en dan 's mee an de wieg laat stoote; De Telegraaf, 18 Juni 1914 p. 5 k. 2: Ja soms ‘stooten’ zij zoo dikwijls ‘aan de wieg’, dat zij ‘voor Pampus liggen’ eer de dag, de Zondag, goed en wel begonnen is; Draaijer, 48: Stoot is an de wiege, toe, drink eens; Regenboogkleuren, 114: De ‘olde’ trakteerde vanwege de verloving van Koningin Wilhelmina en wij ‘stootten aan de wieg’; fri. oan 't naentsje (wiegje) of de nane stjitte, uit het glaasje proeven. Syn. is aan den draad trekken; zie Harreb. III, CXVIII: Aan den draad trekken, een minnaar van een borrel zijn; Sjof. 9: De meester die sterk aan den draad trok, was 's avonds nog al eens gepoetst; syn. van aan de kurk trekken (Busk. Huet). Ook in den algemeenen zin van ‘bij iemand om hulp aankloppen’ wordt ‘tegen de wieg stooten’ gebruikt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal