Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flenter - (lap, reep)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flenter*, flinter [lap, reep] {1635} vgl. fries flinter [snipper], engels flinders, samenhangend met flint.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

flenter znw. m., eerst na Kiliaen bekend, vgl. fri. flanter ‘afhangende lip of reep’, flinter ‘snipper’, nnoorw. dial. flinter ‘stukje’ en daarnaast wvla. vlender ‘flard’, ne. flinder ‘splinter, brok’, nnoorw. flindra ‘dun schijfje; splinter’. Het woord hangt samen met flint, maar heeft daarnaast ook invloed ondergaan van het rijmwoord splinter.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

flenter znw., nog niet bij Kil. Vgl. fri. flanter “afhangende lip of reep”, flinter “(papier)snipper”, noorw. dial. flinter “brokje”, ook wvla. vlender “flard”, eng. flinder “splinter, brok”, noorw. dial. flindra “dun schijfje of splintertje, vooral van steen”. Wegens ʼt late voorkomen is ʼt twijfelachtig of deze woorden oude anlautsvarianten van splinter zijn. Veeleer zijn ʼt jonge, deels in verschillende streken zelfstandig ontstane deels door ontleening verbreide vormen, o.a. onder invloed van ʼt rijmwoord splinter opgekomen naast andere woorden met fl- als de bij flard, flens enz. besprokene. Zaansch, wfri. flenteren “heen en weer lopen” is een bijvorm van slenteren Zie ook slenter.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

flenter. Reeds vroeg-17e-eeuws.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

flenter m. (flarde), + Hgd. flander, Eng. flinder; vergel. nog Hgd. flinder = dun metalen plaatje, en flitter = kleine blikken penning; behoort wellicht tot fladderen; is echter vooral onomat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

flinter, flenter zn. m., meestal dim.: snipper, flard, klein dun stukje. Ook Wvl. flente(r), vlender. Fri. flanter ‘afhangende reep’, flinter ‘snipper’, N. dial. flinter ‘stukje’, E. flinder ‘splinter, brok’, N. flindra ‘dun schijfje, splinter’, Ndl. flinter ‘dun plakje’. Het woord gaat vermoedelijk terug op flint, Mnl. vlint ‘kei’, Ohd. flint ‘steensplinter’ < Germ. *flinta ‘vuursteen’, bij de Idg. wortel *(s)phel- ‘splijten’. Afl. flinter(e)menten, flenterementen ‘gruizelementen’; flinterig, flenterig ‘flauw van de honger’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2flenter s.nw. (gewoonlik in die mv. flenters)
1. Losgeskeurde, afgebreekte stuk. 2. Verflenterde klere. 3. (t.o.v. kos) Dun skyfie, repie. 4. Geringe hoeveelheid of bedrag, die minste.
In bet. 1 - 3 uit Ndl. flenter (1633 in bet. 1, 1642 in bet. 2, 1857 in bet. 3). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel.
Die volgende is betreklik jong vorme: Eng. flinder 'splinter', Fries flanter 'afhangende repie', flinter 'papiersnipper'.
Vgl. flard.

flenters b.nw. Ook flinters.
1. Heeltemal stukkend. 2. (bv. saam met lag) Op 'n oordrewe wyse.
In bet. 1 uit die byv. frase aan (in) flenters, met lg. uit Ndl. aan (in) flenters (1738). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.

flinter s.nw.
1. Flenter (2flenter 1). 2. Flenter (2flenter 3).
Uit gewestelike Ndl. flinter.
Eng. flinder 'splinter', Fries flinter 'papiersnipper'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

flenter (K), zn. m. flente (DB, B, O), vlender (P, DB), zn. v.: flard, afgescheurde lap, flenter. Fri. flanter ‘afhangende reep’, flinter ‘snipper’, N. Dial. flinter ‘stukje’, E. flinder ‘splinter, brok’, N. flindra ‘dun schijfje, splinter’, Ndl. flinter ‘dun plakje’. Het woord gaat wellicht terug op flint, Mnl. vlint ‘kei’, Ohd. flint ‘steensplinter’. Germ, flinta bij de Idg. wortel *(s)phel ‘splijten’. De door De Bo vermelde vorm flente lijkt dan wel oorspronkelijker te zijn. De vorm flenter is wsch. beïnvloed door splinter.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

flenter: s.nw., b.nw. en bw., gew. m. ausl. -s (mv. of adv.), “stukkie; onbeduidende hoeveelheid; stukkend”; Ndl. flenter (nog nie by Kil nie); vgl. Fri. flanter/flinter, “reep”, WVl. vlender, “flard” en Eng. flinder, “brokkie”; enigsins soos flard (q.v.) hoofs. beperk tot Ndl.-Ned.-Fri. wu. wsk. ook Skand. ontln.; reeks ss. by WAT wo. flenterkatiera, “sukkelaar”, ook by Lou S AT as sinon. v. reeks; i.s. funk. v. Kem WFA 51.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

flenter, flinter ‘lap, reep’ -> Roemeens fleandură, fleandră ‘gescheurd kledingstuk, vod’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flenter, flinter* lap, reep 1635 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal