Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flensje - (dun pannenkoekje)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flensje [dun pannenkoekje] {1633} dial. ook flens [oorvijg], nederduits flinse, plinze [reepje, schijfje] > hoogduits Flinse, misschien te verbinden met het klankschilderend gevormde flensen; het duitse woord kan ook ontleend zijn aan sorbisch blinc, mlinc [dunne boekweitkoek].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

flensje znw. o., eerst na Kiliaen overgeleverd, betekent eig. ‘dun, plat schijfje’, vgl. nd. flinse ‘reepje, schijfje’ (> nhd. flinse). — Zie: flensen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

flensje znw. o., minder vaak flens (de), nog niet bij Kil. Dial. ook = “oorveeg” (beierl.). Vgl. ndd. flinse “reepje, schijfje” ( > nhd. flinse v.) en de bij flansen genoemde woorden. Onomatopoëtisch. Vgl. flab.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

flensje. Hierbij ook ouder-nnl. flensen ‘een walvis in stukken snijden’, waaruit wsch. eng. to flench, flinch, flense, de. flense ‘het spek van de walvis afsnijden’ ontleend zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

flensje o. (afgesneden stuk), + Hgd. flinse, behoort bij flenzen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flensje* dun pannenkoekje 1633 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut