Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flegma - (onverstoorbaarheid, kalmte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

flegma zn. ‘onverstoorbaarheid, kalmte’
Nnl. phlegma ‘onverstoorbaarheid’ [1841; WNT]. Eerder, maar in het Nieuwnederlands verouderd, alleen in de betekenis ‘slijm’, zie → fluim, dat dezelfde oorsprong heeft.
Als medische term ontleend aan middeleeuws Latijn phlegma ‘lichaamsvocht, slijm, snot’ < Grieks phlégma ‘brand, vlam; slijm’, verwant met → blaken.
Volgens de middeleeuwse geneeskunst was flegma, dat toen in het Nederlands fleuma werd genoemd, één van de vier lichaamsvochten of humoren die het karakter bepalen (zie → humeur). Gemoedskalmte, gelijkmoedigheid zou worden veroorzaakt door een grote hoeveelheid koud en nat slijm. De hier behandelde betekenis is dus metaforisch ontstaan, zoals ook bijv. bij Frans flegme ‘kalmte’ [1651; Rey].
flegmatisch bn. ‘onverstoorbaar’. Vnnl. flegmatijck “snottachtich oft vochtich” [1553; van den Werve]. Eerder in deze betekenis mnl. fleumich, fleumatich, zoals in dese ziecheit comt van fleumatiken humoren in ouden fleumegen lieden ‘deze ziekte ontstaat door (een teveel aan) slijm in oude mensen met een teveel aan slijm’ [1351; MNW-R]. Zo iemand werd fleumaticus genoemd, zoals in die fleumaticus is van complexien dom ende onvernemel ‘... heeft een dom en onverstandig karakter’ [1351; MNW-P]. Pas in het Nieuwnederlands krijgt flegmatiek een opzichzelfstaande betekenis ‘onverstoorbaar, kalm’, zoals in myn eenigzins Phlegmatiek gestel [1782; WNT], nog later in de vorm flegmatisch [1854; WNT]. Alle vormen gaan terug op middeleeuws Latijn flegmaticus. De oudere Nederlandse vormen zijn ontstaan via het Frans, de huidige onder invloed van het Duits.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flegma [onverstoorbaarheid] {ca. 1600} < latijn phlegma < grieks phlegma [brand, gloed, ontsteking, een slijm dat voor de oorzaak van allerlei ziekten werd gehouden] (vgl. leukon phlegma [bleekzucht], leukon [wit]), van phlegein [verbranden, kwellen, gloeien, ontsteken] → flogiston, flox, fluim.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

flegma

Hippocrates, de Griekse geleerde die omstreeks 400 voor Christus leefde en die men de vader van de geneeskunde pleegt te noemen, meende dat vier lichaamssappen het temperament van de mens bepaalden. Een daarvan is het flegma, het slijm en wanneer dit de andere overheerst ontstaat het flegmatisch mensentype dat zich van andere onderscheidt door een enigszins trage kalmte en gelijkmoedigheid. Flegmatische mensen zijn onaandoenlijk en onverstoorbaar, ze zijn niet licht van hun stuk te brengen en geraken niet gemakkelijk in vuur. Ze zijn dus heel anders dan bijvoorbeeld cholerische mensen in wie de gal spookt en die driftig en opvliegend zijn en dan melancholische mensen die zwartgallig, somber en sanguinische die volbloedig en vurig zijn.

Het cholerische hing samen met de gal, die in het Grieks cholè heette, een woord dat ook in melancholisch verscholen zit. Men kende reeds in Griekenland een ziekte die men cholera noemde en die, meende men, door de gal veroorzaakt werd. In de 19e eeuw heeft zich uit Azië een veel ernstiger ziekte verbreid die dezelfde verschijnselen van braken en buikloop vertoont, maar veel gevaarlijker is. Ze wordt veroorzaakt door een bacil.

Het woord cholerisch betekent: gallig, heftig, driftig, opvliegend. Ermee verwant is het Franse colère: drift, boosheid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

flegma znw. o. < lat. gr. phlegma ‘vlam, ontsteking; een galvocht, waarmee echter juist het begrip van koud verbonden wordt’. In het systeem van de invloed, die de lichaamsvochten op het temperament hebben, werd aan het galvocht een zekere traagheid en onaandoenlijkheid van aard toegeschreven.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

flegma (Grieks phlegma)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flegma onverstoorbaarheid 1600 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal