Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flard - (afgescheurde lap, rafelige strook)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

flard zn. ‘afgescheurde lap, rafelige strook’
Vnnl. flard, flerd ‘afgescheurde lap, rafelige strook’, dan al vrijwel uitsluitend in de verbinding aan flarden, bijv. aen flerden te scheuren [ca. 1600; WNT]. Daarnaast bestond een vrijwel gelijkbetekenend flars, flers, bijv. in aen flarzen scheuren [1632; WNT vermast I]. Dialectisch worden verwante betekenissen gevonden: in de Zaanstreek flard ‘strook land in het water’; in Twente en de Achterhoek flarde, flarre ‘afgescheurd stuk, vod, lichte vrouw’, waarbij het betekenisverband vergelijkbaar is met dat bij → slons ‘slordige vrouw’ en → slet ‘ontuchtige vrouw’, die beide ook de betekenis ‘vod, flard’ hebben gehad. Het is dan aannemelijk om ook de verouderde woorden flaars, fleers ‘scheldwoord voor een vrouw’ [flaers ca. 1600; WNT] en fleer ‘id.’ [flere 1599; Kil.] (zie ook → fleer ‘klap’) verwant te stellen.
Herkomst onduidelijk. Verwante woorden bestaan alleen in de Noordzee-Germaanse dialecten: ndd. flarre, flirre, Nedersaksisch Flarr, Flard ‘lap’, Flart ‘koeienvlaai’, Flarre, Flirre ‘afgesneden schijf, wat breed en vlak is; lap’, Oost-Fries flarre, flar ‘breed, plat voorwerp’; nde. flære, flerre ‘scheur, snee, schram’); ofri. flarde ‘lap (van een long)’ (nfri. flarde ‘flard’); ook mhd. vlarre, vlerre (> nhd. flarre ‘grote wond; grote mond; scheur; stuk brood’ (Grimm)); met -z- > -r- door rotacisme ontwikkeld uit pgm. *flaz-dō. Misschien is → vlaai (< vlade) verwant door wegval van pgm. *-z- vóór medeklinker (zoals bijv. ook mnl. miede ‘loon’ naast got. mizdo < pgm. *mizdō). Daarnaast zonder grammatische wisseling: on. flasa ‘dunne schijf; splinter’ (nu alleen nog dialectisch: Noors flasa ‘los afhangende lap van de schors’, flasa ‘afsplinteren’, Zweeds (dial.) flasa ‘afschillen’); < pgm. *flas-. Hellquist voegt aan al deze woorden onder voorbehoud nog toe: nzw. flarn ‘dun plat voorwerp’, dial. flar, flår ‘id.’, die hij dan in verband brengt met het werkwoord flå ‘villen’, verwant met mnl. vlaen, ne. flay ‘id.’. De diversiteit van betekenissen en het gebrek aan vindplaatsen uit de oudste Germaanse taalperioden maakt het moeilijk een oorspr. betekenis vast te stellen. Er zijn ook geen verwante woorden buiten het Germaans.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flard* [afgescheurde lap] {flerd ca. 1600} een jonge vorming met de klankschilderende fl- anlaut, die buiten het fries en het middelnd. geen verwanten heeft; vergelijkbaar in vorm en betekenis met fleer, mogelijk ook daarvan afgeleid.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

flard znw. v., sedert de 17de eeuw, vgl. oostfri. flarde ‘lap (van een long)’, fri. flarde ‘flard, vod’, ndd. flarde naast flarre, flirre en oostfri. flarre, flār ‘breed, plat voorwerp’, mnd. vlarre, vlerre ‘brede, vormloze wond’. Het is bij deze altijd min of meer affectieve woorden mogelijk, dat geheel onregelmatige ontwikkelingen hebben plaatsgehad, maar naar betekenis en vorm is het zeker te vergelijken met on. flasa ‘dunne schijf; splinter’, nnoorw. dial. flasa ‘los afhangende lap van de schors’, flasa ‘afsplinteren’, nzw. dial. flasa ‘afschillen’. Men kan vergelijken lit. plaskanos ‘roos op het hoofd’ (IEW 834) en dan hoger op verband zoeken met de idg. wt. *(s)phel ‘splijten’. Het woord flard zou in dit geval op *flazdō kunnen teruggaan. Opmerkelijk is overigens dat de klankverbinding fl zo vaak dient om dunne schijfjes aan te duiden, zoals in flensje, flint, vlade, vlak en dgl.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

flard znw., gew. mv., nog niet bij Kil. Komt ʼt eerst in ʼt Oofri. voor: flarde v. “lap (van een long)”. Vgl. ndd. flarde, flarre, flirre, oostfri. flarre, flár “breed, plat voorwerp”, fri. flarde “flard, vod”, ook mnd. vlarre, vlerre v. “breede, vormlooze wond”. Wellicht bij fleer, enz., vgl. voor de bet. aldaar dr. flèèr.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

flard. Reeds bij Roemer Visscher.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

flarden m. meerv., uit Ndd. flarden, nevens flarren + Mhd. vlarre: onomat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

flars, zn.: flard. Vnnl.1642 aan flarzen te scheuren (Hooft); 1776 flarze ‘gescheurde lap’, Meierij (Heeroma). Var. van flard. Ndd. flarre, flirre, Twents flarde, flarre ‘afgescheurd stuk, vod’, Ns. flarr, flard ‘lap’, De. flære, flerre ‘scheur, snee’, Mhd. vlarre, vlerre, N. flasa ‘los afhangende lap van de schors’. Wellicht verwant met Mnl. vlaen ‘villen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

flaart(e) (B, W), zn. v.: vrouw (pej.), lichtzinnig meisje, slet. Overdr. uit Ndl. flard 'lap', dat in de Achterhoek ook 'lichte vrouw' betekent. Vgl. dweil, slons 'lor > slet', flaars 'scheldwoord voor vrouwen'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

flard s.nw. (gewoonlik in die mv. flarde, voorafgegaan deur aan)
Afgeskeurde strook lap.
Uit Ndl. flard (ongeveer 1600). Reeds by Van Riebeeck in die frases aan flerden en aen flersen (1652).
Ndl. flard, asook Fries flarde uit Oud-Oosfries flarde.
Vgl. 2flenter.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

flard: gew. in mv., “afgeskeurde lap, papier, strook” (bv. v. wolk); Ndl. flard (nog nie by Kil nie), Pd. flarde, verw. blb. beperk tot Ned.-Fri.; by vRieb aan flerden en aen flersen (ondersk. 30 Okt. en 30 Des. 1652).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

flard ‘afgescheurde lap’ -> Fries flarde ‘afgescheurde lap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flard* afgescheurde lap 1600 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal