Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flapdrol - (oppervlakkig man, sufferd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

flapdrol zn. ‘oppervlakkig man, sufferd’
Nnl. flapdrol ‘sufferd’ [1899; WNT Aanv.].
Gevormd uit → flap en een tweede lid → drol, dat vroeger ook ‘zot, dwaas’ kon betekenen.
Schriftelijke attestaties van scheldwoorden zijn niet frequent; het is daarom moeilijk om meer over de oorsprong van dit woord te weten te komen.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

flapdrol: vent van niks, iemand die niks durft, slappeling; sufferd. Vroeger een synoniem van emmer* (zie hiervoor Stoett nr. 552). Oorspronkelijk was het een Bargoens woord voor een ‘meid waar geen boon aan gelegen is’ (Moormann). Zie ook nog Endt (1974).

Is me dat een flapdrol van een meid! (Herman Heijermans, Kamertjeszonde, 1866. Herdruk 1898)
Als burgemeester ben je een flapdrol. (Het Volk, 10/06/1914)
Ik ben niet van zins om met jou, met jou flapdrol, naar de krentetuin te verzeile. (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flapdrol* stommerd 1899 [Aanv WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

552. Emmer

wordt te Amsterdam gebezigd als scheldwoord, ook vuilemmer of schijtemmer (o.a. Diamst. 208), waaronder dan moet worden verstaan de beeremmer, drekton, de bruidemmer, zooals men nog te Enkhuizen zegt. Zoo spreekt men ook van een emmer van een kerel voor een knul van een vent, een strontzak (vgl. fri. strontsek, sukkel); ook wordt emmer gebezigd in den zin van hoer (zie Köster Henke, 16) en is dan synoniem van schijthuis, eveneens een zeer gewoon scheldwoord; vgl. Prol. 38: Ik was 'n lamstraal, 'n schijthuis; Nachtkr. 48; Diamst. 140; syn. van sekreet (als scheldwoord in Diamst. 139; 293; Persl. 182: Sekreet! scheurde-ie walgend uit z'n keel, je zal 'm afsterreve vóór je trouwdag!; A. Jodenh. III, 29); Sjof. 68; 104: Hoer, stinkende hoer, schijthuis... schijthuis, want een hoer is een schijthuis of een pisbak, omdat iedereen d'r opgaat; Köster Henke, 60: schijthuis, hoer (vgl. 17de eeuw kakhuis, als scheldwoord tot een hoer). Te vergelijken is het scheldwoord vuilvlek, flapdrol (o.a. Kmz. 366) en darm o.a. in Sjof. 168: Ze had dien darm wel an kenne vliege; 76: Wat een darm, wat een bevuiling! Zie ook nog Ndl. Wdb. III, 2298: darm, sul, goedzakBij Opprel, 51: 'n minnen derrem van en vent, waarnaast en minne zjenderrem = fr. gendarme., en vgl. het reeds mnl. tripe, trijp, pens (fr. tripe), naast trijpsac, als scheldnaam voor eene ontuchtige vrouw;Mnl. Wdb. VIII, 695-696. ook kwal en fluim, die beide als scheldwoord worden gebezigd voor een onuitstaanbaren kerel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut