Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flamingo - (reigerachtige vogel van het geslacht Phoenicopterus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

flamingo zn. ‘reigerachtige vogel van het geslacht Phoenicopterus
Vnnl. Schiltpadden, Wallichvogels, Flamencos, Gansen [1646; WNT]. Eerdere vindplaatsen, zoals de Spaegniaerden noemen die nu Flamencos [1625; WNT Aanv.], zijn niet als Nederlands te beschouwen. De huidige vorm pas veel later: nnl. flamingo [1860; WNT gansvogel].
Ontleend aan Portugees flamingo ‘id.’ < Spaans flamengo ‘id.’ [voor 1348; Corominas]. Verdere herkomst onzeker. Het Spaanse woord kan ontleend zijn aan Provençaals flamenc en/of Catalaans flamench [1695; Corominas], afgeleid van Latijn flamma ‘vlam’ (vanwege het wit-rood gevlamde verenkleed) met een oorspr. Germaans achtervoegsel -enc. Frans flamant ‘flamingo’ gaat rechtstreeks op de Provençaalse vorm terug. Corominas stelt daarentegen voor dat Spaans flamingo, flamenco net als → flamenco ‘zigeunerdans’ is afgeleid van Vlaming, vanwege de rozeachtige huidskleur van de Vlamingen; gezien Spaans flamenco (bn.) ‘vleeskleurig’ (in cara vermella e flamenca ‘een lichtrood en vleeskleurig gezicht’ [eind 13e eeuw; Corominas]) kan deze theorie niet zonder meer verworpen worden; daartegenover staat dat de fel roze-wit gekleurde flamingo's eerder aan vlammen dan aan Vlamingen doen denken. Als we uitgaan van de Latijnse ontlening (< flamma), zijn in het Spaanse flamenco dus woorden van verschillende herkomst samengevallen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flamingo [waadvogel] {1646} < portugees flamingo < spaans flamenco < provençaals flamenc < latijn flamma [vlam] + een achtervoegsel van germ. herkomst, vgl. nederlands -ing; de betekenis is dus: vlammend rood.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

flamingo m., uit Sp. flamenco, eig. Vlaming: de vogel komt van de Vlaamsche eilanden, d.z. de Azoren.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Europese Flamingo Soms gebruikte naam voor de Flamingo ↑. ‘Europese’ is gemotiveerd ter onderscheiding van de Caribische Flamingo.
ETYMOLOGIE Europa: Europa Eurṓpē ereb (shamshi) ‘(zons)ondergang’. Voor bewoners van Mesopotamië (onder wie de Akkadiërs) was Europa het land dat daar lag waar de zon onderging (‘Avondland’). Op soortgelijke wijze, maar dan uit het arabisch, is de naam Maghrib (= Noordwest-Afrika) ontstaan, terwijl juist Anatolië (vgl. sub Anatolische Woestijnplevier), Azië (vgl. sub Aziatische Goudplevier), Levant en Nippon basaal betekenen: ‘land waar de zon opkomt’.

Flamingo (1) Phoenicopterus roseus Pallas 1811. Deze werd ook wel Europese Flamingo genoemd [Grzimek 1973] en in het zuidN Steltzwaan [Kist 1954]; bij Houttuyn 1763 was het: Roode Flamingo.
Flamingo is ook de officiële friese naam [Boersma 1972].
Vroeger was de wetenschappelijke naam anders: Phoenicopterus ruber roseus, namelijk toen de Flamingo nog werd gezien als een ondersoort van Phoenicopterus ruber Linnaeus 1758.
(2) Algemene benaming voor de zes soorten uit de familie der Phoenicopteridae, tevens de orde der Phoenicopteriformes [Grzimek 1973 p.577; DB 19: 193 (1997)].
ETYMOLOGIE N Flamingo (1646 [Sijs]) Flamingo Flamenco1 provençaals Flamenc >F Flamant1 1534 ‘Flamingo’. E Flemengo (bij Hakluyt 1565) is geleend, ws. uit het Sp. Percyvall 1591: “flamenco: a fleming, a kinde of birde like a shoveler; Belga.”
Le Robert 1993, C&C 1995 en vDE 1993: flamma ‘vlam’, duidend op de vuurrode veerpartijen op de vleugel, die ter weerszijden van de vliegende vogel als vlammen op en neer dansen. Dit is weliswaar ook de motivatie voor de wetenschappelijke naam: Gr φοῖνιξ phoînix ‘(purper)rood’, Gr πτερόν pterón ‘vleugel’, maar Corominas 1954 (geciteerd in Lockwood 1993) en Weekley 1967 stellen dat men de vogel er in Spanje (eventueel ook Portugal en/of de Provence) er vond uitzien als een Vlaming en hem daarnaar noemde; te denken valt dan aan de lichtrode gelaatskleur van de Vlaming die men met de kleur van de vogel vergeleek.
De etymologie is dus thans niet eenduidig; dat was hij ook bij HG 1667 niet: “Er [Doctor Geßner] vermeint auch daß er den Frantzösischen Nahmen von der rothen Farb seines Schnabels, der Beine und die Flügel bekommen habe [dan <flamma ‘vlam’] oder daß er zu Winterszeit auß Flandern in die Narbonensische Provintzen fliegt, dann die Frantzosen heissen einen Flanderer Flamman.” Bij de laatste optie speelt dus het woord voor ‘Vlaming’ een andere rol dan hierboven aangenomen: de vogel zou naar de Vlaming genoemd zijn omdat hij uit Vlaanderen (of althans noordelijk van Narbonne (Frankrijk) gelegen streken) afkomstig was. Vgl. voor hetzelfde benoemingsprincipe: Bemer en Frisone sub Frioen.
Als de afleiding van Lat flamma klopt, kan het haast niet in het Sp of portugees het eerst tot uitdrukking zijn gekomen, omdat de woorden voor ‘vlam’ in deze talen (nu) luiden llama resp. chama. In portugees Flamingo zit bovendien het germ -ing, zodat bij dit woord moeilijk aan iets anders dan ‘Vlaming’ gedacht kan zijn.

==

1 De flamenco ‘spaanse zigeunerdans’ is geleend; het is het Sp woord Flamenco ‘Vlaming, zigeuner’. Het woord is in het N pas zo laat als 1956 aangetroffen [Sijs 2001].

2 De etymologie van F Flamand ‘Vlaming’: flameng (1080) flaming, flaeming of Flaemingi. Vlaanderen *flauma ‘overstroomd land’.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

flamingo (Portugees flamingo)
Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

flamink s.nw. Ook folmink.
Groot, wit tot rooskleurige waadvoël met rooi en swart vlerke, 'n lang nek en bene wat by vleie en lagunes aangetref word.
Uit Ndl. flamingo (1646).
Ndl. flamingo uit Sp. flamenco 'gevlamd', so genoem omdat die voël se vlerkkleur aan dié van 'n vlam herinner, mntl. beïnvloed deur Vlaming (n.a.v. die pleknaam Vlaamse Eilande) omdat die voëls wsk. die eerste keer daar opgemerk is.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

flamingo (de, -’s), rode ibis (Eudocimus ruber). De flamingo’s daarginds hadden de vis blijkbaar maar voor het oppikken en een eind verder zag hij ook nog een blauwe reiger een glinsterend visje opslokken (Butner 1960: 43). - Etym.: Oudste vindpl. Pistorius 1763: 71. AN flamingo = SN zeegans*. Elders is de naam vroeger wellicht nog anders toegepast: een zeer oude boekillustratie vertoont een lepelbek* (rode lepelaar) met als F naam ‘Le flammant’, d.i. de tegenwoordige F naam voor de zeegans (flamingo) (zie Helman 1982: 24; herkomst?).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

flamink: – folmink – , voëls. (fam. Phoenicopteridae); Ndl. flamingo (nog nie by Kil nie), wsk. uit Port. Flamengo, “Vlaming”/flamengo, “gevlamd”/flamingo, “voëln.”, ook Sp. flamenco; WNT wys op verb. m. Vlaming, NED op verb. m. gevlamd en Verc op Vlaamse eilande, d.w.s. die Asore; vgl. ook Scho PD 4.

volmink [+]: verouderde spelv. v. folmink, v. flamink.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

flamingo ‘reigerachtige’ -> Sranantongo flamingo ‘rode ibis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flamingo reigerachtige 1646 [WNT] <Portugees

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut