Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flambouw - (fakkel, processielantaarn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

flambouw zn. ‘fakkel, processielantaarn’
Mnl. flambeeu ‘id.’ in de meervoudsvormen flambeus [1380-1420; MNW], tortchen, flambeax, leembetten, mortieren van was ‘toortsen, flambouwen, kaarsenpitten, lampjes van was’ [1474; MNW lenement], toorsen en flambeeuen ‘toortsen en flambouwen’ [voor 1492, kopie 1562-92; MNW tortse]; vnnl. flambeau [1650; Hofman], flambeeuw [1682; WNT], flambou [1697; WNT].
Ontleend aan Frans flambeau ‘toorts’ [1393; Rey], ontwikkeld uit Oudfrans flambel, een afleiding van flamb(l)e ‘vlam’ < Latijn flammula ‘kleine vlam’, zie → vlam. De vorm met -eeu(w) in de oude vindplaatsen, en nu nog in het West-Vlaams, is te verklaren uit de Picardische vorm van het Franse woord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flambouw [fakkel] {flambeeu 1380-1420} < frans flambeau, van flambe (vgl. flambé).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

flambouw znw. v. < fra. flambeau (sedert de 14de eeuw) afgeleid van flambe ‘helder vuurteken’ < lat. flammula.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

flambouw znw. Uit fr. flambeau (van flambe; uit lat. flammula?). Uit ofr. flambel, Kil. flambeel. Mnl. komt flambeeu voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

flambeeuw, flambouw v., Mnl. flambeeu, uit Fr. flambeau, afgel. van flamme = vlam (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

flambauw, flambee, zn.: fakkel, flambouw, m.n. lantaarntje op een steel, gedragen in de processie. Ook Vl. en Br. flambouw, flambeeuw. Mnl. flambeu, Nndl. flambeeuw (1682, WNT). De vorm flambouw is een directe adaptatie van Fr. flambeau, terwijl flambeeuw (ook Vlaams) op de Picardische uitspraak teruggaat. Vgl. de familienamen Rossseeuw < Rousseau, Catteeuw < Catteau, Derveeuw < Derveaux, Calleeuw < Cailleau. Fr. flambeau < Ofr. flambel, dim. van flambe, door diss. < Ofr. flamble < Lat. flammula, dim. van flamma ‘vlam’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

flambeeuw, flambeem, flambeel, lambeel, flambie, zn.: fakkel, flambouw, m.n. lantaarntje op een steel, gedragen in de processie. Mnl. flambeu, Nndl. flambeeuw (1682, WNT). De vorm flambouw is een directe adaptatie van Fr. flambeau, terwijl flambeeuw (ook Vlaams) op de Picardische uitspraak teruggaat. Vgl. de familienamen Rossseeuw < Rousseau, Catteeuw < Catteau, Derveeuw < Derveaux, Calleeuw < Cailleau. Fr. flambeau < Ofr. flambel, dim. van flambe, door diss. < Ofr. flamble < Lat. flammula, dim. van flamma ‘vlam’. Flambeem door wisseling van de bilabialen w/m (vgl. murw/murm, zwaluw/zwalm). De var. lambeel is wellicht een contaminatie van flambeel en lambel.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

flambeeuw (W, ZO), flambee (ZO), zn. m.: fakkel, flambouw, m.n. lantaarntje op een steel, gedragen in de processie. Mnl. flambeu, Nndl. flambeeuw (1682, WNT). De vorm flambouw is een directe adaptatie van Fr. flambeau, terwijl flambeeuw (ook Wvl.) op de Picardische uitspraak teruggaat. Vgl. de familienamen Rossseeuw < Rousseau, Catteeuw < Catteau, Derveeuw < Derveaux, Calleeuw < Cailleau. Fr. flambeau < Ofr. flambel, dim. van flambe, door diss. < Ofr. flamble < Lat. flammula, dim. van flamma 'vlam'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

flambeeuw, zn. m.: fakkel, flambouw, m.n. lantaarntje op een steel, gedragen in de processie. Mnl. flambeu, Nndl. flambeeuw (1682, WNT). De vorm flambouw is een directe adaptatie van Fr. flambeau, terwijl Wvl. flambeeuw op de Picardische uitspraak teruggaat. Vgl. de familienamen Rosseeuw < Rousseau, Catteeuw < Cateau, Derveeuw<Derveaux, Beeuwsaert<Beausart, Calleeuw < Cailleau, Depreeuw<Despreaux. Fr. flambeau < Ofr. flambel, dim. van flambe, door diss. < Ofr. flamble < Lat. flammula, dim. van flamma ‘vlam’. Op de oude vorm gaat Wingens flambeel {-iêl) terug (Van Doorne 315).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

flambouw ‘fakkel’ -> Negerhollands vlambee, flambeew ‘fakkel’; Sranantongo frambow ‘fakkel’; Sarnami flámbo ‘fakkel’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) flambo ‘fakkel om mee op kreeft en krab te vissen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flambouw fakkel 1380-1420 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal