Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fixeren - (doen vastzitten; onuitwisbaar maken (o.a. van een fotografisch beeld); strak aankijken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fixeren ww. ‘doen vastzitten; onuitwisbaar maken (o.a. van een fotografisch beeld); strak aankijken’
Mnl. fixeren ‘vastmaken’ [1485; MNHWS]; nnl. fixeeren ‘vastleggen’ in het Gewicht en Prys daar van te fixeeren en te stellen [1749; WNT] (nu verouderd), ‘strak aankijken’ [1840; WNT], ‘beeld vastleggen’ in: dit lichtbeeld van 't zonnespectrum ... te fixeeren [1893; Sijthoff 7, 427b], ‘fotografisch beeld vastleggen d.m.v. een bepaald vloeistofbad’ [1900; WNT]; als verl.deelw. vooral ook in de uitdrukking gefixeerd zijn op (iets of iemand) ‘in de ban zijn van’.
Oorspr. ontleend aan Frans fixer ‘doen vastzitten’ [15e eeuw; Rey], ‘strak aankijken (= de ogen doen vastzitten)’ [1760; Rey], met latere betekenisontlening aan Duits fixieren ‘een beeld vastleggen’ [19e eeuw; Pfeifer]. Het Franse werkwoord is een afleiding van het bn. fixe ‘vast’, ontleend aan Latijn fīxus, oorspr. het verl.deelw van fīgere ‘vasthechten’, van onduidelijke verdere herkomst. Zie ook → fiks, → fiksen, → fiche, → affiche.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fixeren [vastmaken, vastleggen] {1485} < frans fixer, afgeleid van oudfrans fix [bevestigd, vast] < latijn fixus, eig. verl. deelw. van figere [vasthechten, vaststellen, onveranderlijk maken].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fixeeren ww. Nnl. uit fr. fixer (van fixe, zie fiks), dat speciaal in ʼt Zwits. “fixeeren” beteekent.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fixeren (Frans fixer)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Fixeren (= Fr. fixer; Lat. fíxus = vast, blijvend; fígere = vasthechten). Op duurzame wijze in een bepaalden toestand brengen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fixeren ‘vastmaken, vastleggen’ -> Javaans fiksir ‘vastleggen (foto)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fixeren vastmaken, vastleggen 1485 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut