Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fitten - (pasklaar maken, (buizen) in elkaar passen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fitten ww. ‘pasklaar maken, (buizen) in elkaar passen’
Mnl. scutte te vittene ende teghereden ‘schotten te plaatsen, op te stellen en af te werken’ [1285; CG I, 1020]; vnnl. den handtscoe behoord hier den scietlap daer vit ‘de handschoen (van de schutter) hoort hier, de schietlap hoort daar, heeft daar zijn plaats’ [1526; WNT vitten I], ‘voegen, schikken, in overeenstemming brengen’ [1527-40; MNW], dien roc en vitt v niet ‘die jas past u niet, zit u niet goed’ [1562; WNT vitten I], vitten ‘(aan)passen, voorzien (van)’ [1648; Hexham], fitten (scheepsbouwterm) ‘meten, peilen’ [1671; WNT]; nnl. fitten ‘pasklaar maken (van buizen)’ [1898; van Dale].
Herkomst onzeker. Het Engelse bn. fit ‘geschikt’ [fyt ca. 1440; OED] en het bijbehorende werkwoord fit (< Oudnoords fitla ‘samenbinden’) zijn weliswaar semantisch verwant, maar veel jonger. De herkomst daarvan is ook onzeker.
De oorspr. basisbetekenis ‘in orde brengen, schikken’ lijkt in het hedendaagse Nederlands nog steeds aanwezig, maar de werkelijkheid is gecompliceerder. Het Engelse werkwoord fit heeft een eigen betekenisontwikkeling ondergaan (misschien ook onder invloed van het Middelengels bn. fete ‘goed gedaan’ < Oudfrans fait), die de Nederlandse heeft beïnvloed. Zo is onze moderne betekenis ‘pasklaar maken van buizen’ ontleend aan het Engels. Andersom treffen we de vnnl. scheepsbouwterm fitten (zie boven) twee eeuwen later in het Engels aan in fit-rod ‘een ijzeren staafje om de diepte van een gat te meten’ [1867; Smyth]. Wel Nederlands is de betekenis ‘kleinzielig bekritiseren’ [1691; Sewel NE], ontstaan uit het overdrachtelijke nauw vitten ‘het nauw nemen’ [1620; WNT vitten III], in het Nieuwnederlands meestal geschreven als → vitten.
fit 2 zn. ‘pasvorm; fithaak; priem’. Nnl. fit, fithaak ‘meethaak’ [1910; WNT]. Afleiding bij het werkwoord fitten ‘meten, peilen’. De betekenis ‘pasvorm’ is later overgenomen uit Engels fit ‘id.’. ♦ fitter zn. ‘iemand die buisleidingen voor gas e.d. aanlegt’. Nnl. een bekwaam fitter voor straatwerk ‘id.’ [1865; WNT]. Uit Engels fitter ‘id.’ [1851; OED] bij het werkwoord fit.
Lit.: W. de Vries (1924), ‘Etymologische aanteekeningen: vitten’, in: TNTL 43, 129-144; W.H. Smyth (1867) The sailor's word-book, London

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fitten [pasklaar maken (van buizen)] {1898, vgl. fitter 1886} < engels to fit [idem], middelengels fitten [rangschikken, opstellen], verwant met middelnederlands vitten [voegen, schikken], oudnoors fitja [samenbinden], oudhoogduits fizzen [omhullen], afgeleid van oudhoogduits fizza [weefsel, weefkant] vgl. oudnoors fit [weefkant, zwemvlies van vogel] waarschijnlijk van dezelfde stam als voet, maar van een andere ablautbasis, vgl. grieks péza < ∗pedja en latijn pedis, 2e nv. enk. van pes [voet].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

vitten

De oorspronkelijke betekenis van vitten is: passen, voegen, goed zitten (van kleding). In de zeventiende eeuw betekende nauw vitten: het nauw nemen, nauw kijken, heel precies zijn. Daaruit vloeit gemakkelijk de betekenis voort die wij thans aan het werkwoord geven. Die is immers: nauwlettend toezien op kleinigheden, dus: gezochte kritiek uitoefenen, op kleinzielige wijze, alleen uit zucht om te kritiseren, aanmerkingen maken; zich bezighouden met haarkloverijen en muggenzifterijen; betuttelen.

Er bestaat ook een werkwoord fitten voor: buizen voor gas- en waterleiding aanleggen of herstellen. Dat is ontleend aan het Engelse to fit: passen, geschikt maken, monteren. Daar dit een vrij jong woord is, lijkt het onwaarschijnlijk dat het met vitten verwant is, al stemmen de betekenissen goed overeen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fitten ww. ‘de diepte van geboorde gaten meten; de bocht van de kiel onderzoeken; pasklaar maken’. In de betekenis van ‘buizen aan elkaar passen’ is invloed van ne. fit waarschijnlijk (wat bij fitter zeker is), maar het is reeds een oud woord, vgl. mnl. vitten ‘voegen, schikken’, dat Kiliaen als vlaams opgeeft, vgl. ook vitting ‘merkstreep op een muur’. Verder zijn nog te vergelijken on. fitja ‘samenbinden’, fit ‘vlies tussen de tenen van zwemvogels’, verder ohd. fizza ‘een aantal bijeengebonden draden bij het haspelen’ (nhd. fitze ‘streng’), os. fittea, oe. fitt ‘gedeelte van een gedicht (eig. bundel van versregels)’.

Gewoonlijk worden deze woorden verbonden met voet en dan gaarne gewezen op gr. péza ‘voet; rand, zoom’. Maar men moet niet uitgaan van ‘kant, zoom’, maar van een samengebonden of gevlochten hoeveelheid garen of draad en dan voert dat eerder tot een verbinding met de groep van vat (J. Trier ZfdPh 70, 1949, 354).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fitten (de diepte van geboorde gaten meten, de bocht van de kiel onderzoeken, pasklaar maken). Wsch. uit eng. to fit “in orde maken”. Of ospr. nld. = Kil. “vitten. Flandr. j. passen. Convenire, quadrare. et Accommodare”; nog met v: vitting “merk, streep op een muur”. Het is wsch., dat het vla. en eng. ww. met elkaar identisch zijn, maar de oorsprong is onzeker. Het eng. komt sedert 1400 voor, ʼt vroegst in de bet. “soldaten in gelederen scharen”. Deze bet. maakt identiteit met ons vitten onwsch. De formeel mogelijke verwantschap met vatten (vla. vitten fetjanan) is semantisch niet wsch., maar althans mogelijk.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fitten pasklaar maken (van buizen) 1898 [GVD] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut