Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fitis - (vogelsoort)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fitis* [vogelsoort] {1860} klanknabootsende benaming.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fitis v., onomat.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Fitis Phylloscopus trochilus (Linnaeus: Motacilla) 1758. In de Lage Landen ’s zomers veel voorkomende kleine, groengele Boszanger ↑ met (hier) een tamelijk constante, iets weemoedige zang. vDE 1993 geeft op dat de naam een klanknabootsing is. De zang bestaat echter uit veel meer ‘lettergrepen’ dan twee [Fi-fi-fi-fi-fi-fi-fi] en de roep [fwiet] bestaat uit slechts één. Daardoor is de naam etymologisch één der lastigste onder de vogelnamen, hoewel de spelling wel onmiddellijk verraadt dat het een leenwoord is (anders zou de spelling *Fietis geweest zijn). D Fitis Fitis-Laubsänger Pouillot fitis Bec-fin pouillot Fitis in het N introduceerde; hij is (ws.) ook al degene, die de naam Tjiftjaf, maar dan uit het E, in het N geïntroduceerd heeft.
In leenbetrekking staat ws. ook hongaars Fitiszfüzike.
Lets Vititis ‘Fitis’ zou de oudste rechten kunnen hebben in verband met soortgelijke namen. [Svirlitis ‘Fluiter’, waar ‘svir-’ voor de triller van de Fluiterzang zou kunnen staan, en Zeltgalvitis ‘Goudhaantje’ waarin zelt ‘goud’ en vitis mogelijk de lispelende zang, die iets op die van de Fitis lijkt, weergeeft.] Het lets is een oude (conservatieve!) baltische taal, waar de kans dan het grootst is om ‘originele’ idg woorden aan te treffen. Het lijkt echter aannemelijk dat, als het letse woord het oudst is, dit pas in recentere tijden in het D, F en hongaars is overgegaan. Wanneer de naam Fitis zijn intrede in het N heeft gemaakt, is niet precies bekend. Met Meijsanger in Van Heenvliet (c.1636) [Brouwer 1953] werd ws. de Fitis bedoeld (Grasmus kan echter ook; beide dragen nu nog soortgelijke volksnamen). Houttuyn 1763 gaf voor Linnaeus’ 31e “Kwikstaart”, “Motacilla Trochilus”, de N naam Loopertje (p.589), een vertaling van Gr trochílos (Gr trocházō ‘hardlopen’; vgl. N trochaeus ‘(snellopende) versvoet’), maar een zonderlinge naam voor de Fitis, die immers niet vaak loopt. Uit zijn tekst blijkt wel dat Houttuyn de vogel niet uit eigen wn. kent: “Ook wordt de naam van Trochilus ’er aan gegeven, gelyk aan de anderen, om dat het zulke snelle loopertjes zyn. De Engelschen noemen dit green Wren of groen Koningje, de Franschen Pouillot en Chantre of Chanteur, dat is Zinger, dewyl het een Geluid maakt als de Springhaanen ...”
Zelfs in NV (deel V 1829) wordt de Fitis nog niet behandeld, ook niet onder een andere naam. B&O 1822 nemen de naam Loopertje van Houttuyn over. Schlegel 1852 noemt dan “De fitis” (cursief als teken van een nog onwennige N naam). Wel onderkent Schlegel dan de status: “Zeer algemeen in de bosschen van het geheele rijk broeijende. Trekvogel.”

Grauwe Fitis Phylloscopus trochiloides (Sundevall: Acanthiza) 1838. Op Fitis ↑ gelijkende, zeldzaam in N doortrekkende ‘Boszanger’ ↑. Heette van Fitis te verschillen door grijzere i.p.v. groenere bovendelen, maar dit kwam om te beginnen al helemaal niet tot uitdrukking in de oude N, D, E en F naam, waar juist het groen benadrukt wordt (Groene Fluiter ↑, Grünlaubsänger of Grüner Laubsänger, Greenish Warbler resp. Pouillot verdâtre). Dan zouden ook de onderdelen witter i.p.v. geler moeten zijn, wat in ieder geval bij vergelijking van de jonge vogels beter klopt.
Grauw wordt in de moderne woordenboeken soms nog verschillend omschreven. Zo heet het in Koenen-Endepols 1960 “vaalzwart” en in vDE 1993 “vaalwit” (net zo tegenstrijdig als het E black ‘zwart’ en zijn etymologische voorloper oudengels blac ‘wit, helder, blank, bleek’; zie ook sub Merel). Dit verklaart de wijd uiteenliggende kleuren van Grauwe Franjepoot (in winterkleed) en Grauwe Pijlstormvogel. Daarnaast kan het ook ‘asgrauw, askleurig’ betekenen (Aschgrauwe Kiekendief), ‘(neutraal)grijs’ of ‘blauwgrijs’ of ook ‘weinig kleurig, vaal’ (Grauwe Pijlstormvogel en Vaal Stormvogeltje hebben dezelfde kleur).
Het woord wordt in vogelnamen ook toegepast in de betekenis van ‘effen’ (vgl. N Effen Fitis = E Plain Leaf-warbler = Phylloscopus neglectus Hume), ‘zonder contrast in kleur’. In deze zin komt het duidelijk uit in de naam Grauwstuitboschzanger ↑ (de stuit is groen, maar contrasteert niet met de rest van de bovendelen). Wellicht is ook de naam Grauwe Fitis zo bedoeld. Mnl gra (= grauw) is het tegengestelde van mnl bunt (zie sub Bontbekplevier) wanneer het gaat om uniform (grijs) pelswerk tegenover veelkleurig gemêleerd pelswerk. In de vogelnaamgeving ziet men deze tegenstelling gedemonstreerd in Grauwe versus Bonte Vliegenvanger.
ETYMOLOGIE N grauw graauw [Houttuyn 17621] graeuw [NV 1770] grau, graeu, gra; fries grau (ook: skier, zie sub Skierkert) grē; oudsaksisch grē; D grau grâ grâo; E gray, grey graeg; deens/noors/zweeds grå, ijslands grár grár. grewa. Lat gravastellus ‘grijskop’. In de keltische goep: oudiers grian ‘zon’. *gher, ghre ‘stralend, glanzend, glinsterend’; een wat verrassende betekeniswending! Vgl. idg *ghle sub Glanskop en Geelborstje.

==

1 Houttuyn gebruikte in 1762 een modernere spelling dan Nozeman in 1770.

Noordelijke Fitis Phylloscopus trochilus eversmanni. Thijsse 1944 vermeldt: “Dit fitisje is meer bruinachtig-groen en de wenkbrauwstreep is bijna wit.” Williamson 1976 zegt dat dit een “brown-and-white morph” van de Fitis is, het “type 6 ‘eversmanni’ of some authors”. Qua N naamgeving is de naam van het lemma (een beetje) te beschouwen als de voorloper van de Noordse Fitis P. t. acredula [Berg & Bosman 1994].

Noordse Fitis Phylloscopus trochilus acredula (Linnaeus). Moeilijk herkenbare noordelijke ondersoort van de Fitis. Synoniem: Scandinavische Fitis. Zie ook sub Noordelijke Fitis. [Berg & Bosman 1994; B&TS 1995]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal