Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fiscus - (staatskas, belastingdienst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fiscus zn. ‘staatskas, belastingdienst’
Vnnl. fisque ‘staatskas’ [1503-19; Stall. I, 423], fiscus “die ghene die sheeren recht bewaert als procureur of aduocaet” [1503; Claes 1996], fisch ‘staatskas, als persoon voorgesteld’ [1521; WNT], soo succedeert de fisque in 't goet ‘dan vervalt het goed aan de staatskas’ [1615; Stall.], fisce “landt-kist” [1654; Meijer], 't fiscus ‘de staatdienst van de financiën’ [1626; WNT voegen I]; visite door den fiscus ‘controle, huiszoeking door de belastingdienst’ 1658; WNT visite].
Ontleend, de oudere vormen via Oudfrans fisque [1278; Rey] (Middel- en Nieuwfrans fisc), aan Latijn fiscus ‘kas van de keizer’ < ‘geldmandje, staatskas’ < ‘korf’.
Latijn fiscus is wellicht verwant met: IJslands biða ‘melkemmer’; Grieks píthos ‘groot aarden voorraadvat’; (maar niet Myceens qe-to ‘vat’, dat een niet-IE substraatwoord is); bij de wortel *bhidh- ‘pot, vat’ (IEW 153). Het is niet verwant met → bezem, zoals door sommigen wordt gemeend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fiscus [staatskas] {1503 in de betekenis ‘persoon die het recht van de staat bewaakt’} < latijn fiscus [geldmandje of -kas, eerst als: staatskas, later als de bijzondere kas van de keizer], verwant met ijslands biða [melkemmer], grieks pithos [groot aarden voorraadvat, zoals bekend uit Knossos], mogelijk hetzelfde als myceens qe-to [een vat] → bezem.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

fiscus

De oorspronkelijke betekenis van het woord fiscus is: uit biezen gevlochten mand of korf. Het schijnt dat de Romeinen zulke manden gebruikten om geld in te bewaren, vandaar dat fiscus gaat betekenen: geldkas. In de keizertijd was de fiscus de private kas van de keizer, afgescheiden van de staatskas. Later verstond men onder fiscus ook: de opbrengst aan de kas van de keizer, dus: belasting. Er bestond bijvoorbeeld de fiscus Judaicus, de belasting die de Joden aan de keizerlijke kas moesten betalen. Het is later gebruik geworden het begrip schatkist als een persoon voor te stellen en bijvoorbeeld te spreken van het scherpziend oog van de fiscus als men de belastingdienst in zijn geheel bedoelt. Het bijvoeglijk naamwoord luidt fiscaal: wat betrekking heeft op het belastingwezen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

fiskus s.nw.
1. Staatskas. 2. Alle amptenare wat belastings invorder.
Uit Ndl. fiscus (1521) 'staatskas'.
Ndl. fiscus gaan terug op Latyn fiscus 'geldmandjie' of 'geldkas', af en toe in die bet. 'staatskas' gebruik, later 'besondere kas van die keiser', wat verwant is aan Grieks pithos 'groot erdevat soos bekend uit Knossos'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fiscus (Latijn fiscus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fiscus ‘staatskas’ -> Indonesisch fiskus ‘staatskas; belastinginspecteur’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fiscus staatskas 1660 [WNT restitueeren] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut