Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fineer - (opleghout)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fineer zn. ‘opleghout’
Nnl. fineer ‘id.’ [1862; WNT zagen], fyneer ‘dunne bekleding van hout’ [1864; Wdb. EN], ook in samenstellingen als fineerblad, kunstfineer [1879; WNT].
Ontleend aan Engels veneer ‘opleghout’, [fanneer 1750; OED], eerder als telbaar woord al ‘een plak of laag dun hout (of ander geschikt materiaal, zoals ivoor)’ [venears (mv.) 1702; OED], nog ouder de nominale werkwoordsvorm faneering ‘het fineren; betimmering, oplegsel’ [1670; OED veneering]. Dit Engelse woord is, met assimilatie van r aan n, ontleend aan Duits Furnier ‘houten betimmering’ [15e eeuw; Pfeifer] (nu ‘fineer’), een afleiding van furnieren ‘met hout bedekken’ [16e eeuw; Pfeifer]. Deze specifieke ambachtelijke betekenis is voor het eerst in het Nederduits ontwikkeld uit het algemenere ‘voorzien van’ [15e eeuw; Pfeifer], dat in die betekenis ontleend is aan Oudfrans fournir [13e eeuw; Rey] ‘voorzien van’, eerder furnir ‘noodzakelijke elementen toevoegen’ [1119; Rey], zie verder → fourneren.
De Nederlandse vorm fineer, net als eerder die van het bijbehorende werkwoord fineren ‘van fineer voorzien’ (zie hieronder), is volksetymologisch beïnvloed door het al Middelnederlandse werkwoord fineren ‘zuiveren, reinigen, verfijnen’, zoals in ghefineert gout [1390-1410; MNW-R], gefineert goud [1721; WNT uitsmelten], dat is afgeleid van → fijn en meestal gebruikt werd m.b.t. edelmetalen. Maar ook in het Engels bestond in de 18e eeuw al een spelling fineer voor veneer.
fineren ww. ‘voorzien van fineer’. Eerst in een geïsoleerde vindplaats vnnl. gefineerde schryflayen ‘gefineerde laden voor schrijfbehoeften’ [1677; WNT schrijven II], daarna nnl. een kabinet of kast enz. fineren, of met dunne blaadjes van fijn hout bekleden [1823; Holtrop, 961b], fyneeren ‘met dun hout bekleden’ [1864; Wdb. EN]. Ontleend aan Engels veneer ‘van fineer voorzien’ [1728; OED].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fineer znw. o. ‘dunne platen van een harde en mooie houtsoort, die met lijm op eenvoudiger hout bevestigd worden’ — mogelijk > russ. fanér (vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959), 27.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fineer ‘dunne platen van een mooie houtsoort die op meubels worden bevestigd’ -> Zweeds faner ‘dunne platen van een mooie houtsoort die op meubels worden bevestigd’ (uit Nederlands of Duits); Russisch fanér ‘dunne platen van een mooie houtsoort die op meubels worden bevestigd’; Indonesisch finér ‘dunne platen van een mooie houtsoort die op meubels worden bevestigd’; Papiaments finer ‘dunne platen van een mooie houtsoort die op meubels worden bevestigd’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal