Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

filet - (vlees of vis zonder bot of graat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

filet zn. ‘vlees of vis zonder bot of graat’, (BN) ‘haas (bepaald stuk vlees)’
Vnnl. fillet ‘vlees/vis zonder been’ [1500-25; van Donselaar 2000b]; nnl. filet “lendenstuk, nierstuk, bijv. van een os, een hert” [1847; Kramers], een kostelijk filet en andere fijne beetjes [1863; WNT ribstuk]. Daarnaast al ouder mnl. filet ‘draadje, lijntje (ter versiering)’: wassinne keersen met filgetkinne (verkleinwoord) ‘waskaarsen met sierlijntjes’ [1384-1407; MNW], filetten vergaudt van fynen gaude ‘krullend lofwerk verguld met fijn goud’ [1434; MNW], maar in deze betekenis verouderd. Wel bestaat het woord nog in enkele vakspecifieke toepassingen, zoals nnl. filet ‘knoopwerk’ [1805; WNT], ‘uit lijnen bestaande vergulde versiering op boekband’ [1824; Weiland] (nu gebruikelijker in de vorm fileet).
In de diverse betekenissen ontleend aan Frans filet, verkleinwoord van fil ‘draad’ [12e eeuw] < Latijn fīlum ‘draad’, dat van onbekende verdere herkomst is (zie ook → file 1 ‘rij’ en → file 2 ‘computerbestand’). De oorspr. Franse betekenis is dus ‘draadje’ [1180; Rey]. Hoe de betekenis ‘haas, het beste stuk vlees van een rund’ [1393; Rey] is ontstaan is onduidelijk. Men verklaart haar wel uit de vorm van dat stuk vlees, dat lang en smal is, of ook wel uit een bereidingswijze waarbij ontbeende stukken vlees met een draad of net waren omwikkeld als een rollade.
Het Nederlands had in deze betekenis al het oudere woord → haas 2. Bovengenoemde oudste vindplaats uit de 16e eeuw staat dan ook geïsoleerd. Pas in de tweede helft van de 19e eeuw is filet in de betekenis van vlees opnieuw en definitief ontleend. Er bestaat een licht onderscheid in het gebruik van dit woord tussen het BN en het NN. In het BN komt het gebruik van filet meer met het Frans overeen en is het min of meer synoniem met, en frequenter dan haas. In het NN heeft haas een nauwere betekenis en filet juist een veel algemenere ‘botloos vlees’. Zo is een BN filet pur in het NN biefstuk van de haas. Wel gelijk in beide taalvarianten is de toepassing op gevogelte, zoals in kipfilet, en op vis.
fileren ww. ‘van bot of graat ontdoen’. Nnl. een haring fileeren ‘een haring van graat ontdoen’ [1900; WNT Aanv.]. Nederlandse afleiding van het zn.filet. Het Frans heeft hiervoor de uitdrukking lever les filets en met betrekking tot vis daarnaast ook specifiek fileter. Er is wel een Frans werkwoord filer ‘spinnen’ met diverse afgeleide en overdrachtelijke betekenissen, die gedeeltelijk in het Nederlands ontleend zijn geweest, maar daar nu alle zijn verouderd. ♦ filet américain zn. ‘rauwe gemalen biefstuk’. Nnl. filet américain ‘fijne tartaar’ [1936-1940; pers.waarn.], ‘id.’ [1961; Verschueren], ‘fijne tartaar, gekruid en met ei’ [1984; van Dale]. Ontleend aan Belgisch-Frans filet américain ‘gekruide gehakte biefstuk’, letterlijk ‘Amerikaanse filet’. In Frankrijk is deze samenstelling onbekend en spreekt men van steak tartare. De reden van de benaming ‘Amerikaans’ is onduidelijk, daar men in de VS, voorzover men het eten van rauw, rood vlees niet verwerpt, ook spreekt van steak tartare, een term die ook in de Britse en Amerikaanse woordenboeken staat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

filet [bot- of graatloos stuk vlees of vis, rand op boekbanden e.d.] {1824 in de betekenis ‘rand op boekband’; de betekenis ‘botloos vlees, graatloze vis’ 1872, vgl. filet [draadje] 1434} < frans filet [draadje, plakje, reep], verkleiningsvorm van fil [draad]; de betekenis stuk vlees is waarschijnlijk ontstaan door de rollade, die met een netje of touwtje omwikkeld is, vgl. engels fillet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1filet s.nw.
1. Dun, langwerpige stuk vleis of vis, sonder been of graat, gewoonlik gesny
van die dik vleis langs die ruggraat. 2. Sierlyn op die band van 'n boek, op meubels, silwerwerk, ens. 3. Bepaalde vleissnit sonder been.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. filet (al Mnl.). In bet. 3 wsk. eerder uit Eng. fillet (ongeveer 1420), ook filet (1841).
Ndl. filet en Eng. fillet, filet uit Fr. filet 'draadjie, plakkie, reep', die verkleinw. van fil 'draad' uit Latyn filum 'draad'.
Die verwysing na 'stuk vleis' het wsk. ontstaan vanweë die toutjies om die opgerolde stuk vleis gedraai.

2filet s.nw.
Knoopwerk, net.
Uit Ndl. filet, tans ongebruiklik.
Ndl. filet uit Fr. filet 'net'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

filet bot- of graatloos stuk vlees of vis 1500-1525 [Jansen/Van Winter, Keuken in late ME] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut