Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fiducie - (vertrouwen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fiducie zn. ‘vertrouwen’
Vnnl. fiducie ‘vertrouwen’ [1553; van den Werve]; nnl. met alle fiducie ‘met alle vertrouwen’ [1787; WNT vigilantie].
Via Frans fiducie ‘id.’ [16e eeuw; Rey] ontleend aan Latijn fīdūcia ‘vertrouwen, zelfvertrouwen’, een afleiding van fīdere ‘vertrouwen’, zie → fideel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fiducie [vertrouwen] {1787} < latijn fiducia [vertrouwen, stellige verwachting], verwant met fidus [betrouwbaar, trouw] en fides [vertrouwen, trouw, betrouwbaarheid] (vgl. fideel).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fiducie znw. Nnl. uit lat. fidûcia “vertrouwen” (in ʼt Fr. onbekend). Evenzoo nhd. fiduz o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fiducie v., gelijk Hgd. fiduz, uit Lat. fiducia = vertrouwen, van fidere (z. beiden).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

fiducie (zn.) vertrouwen; Nuinederlands fiducie <1553> < Frans fiducie.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fiducie vertrouwen 1787 [WNT vigilantie] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut