Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fiat - (goedkeuring)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fiat zn. ‘goedkeuring’
Eerst alleen als tussenwerpsel: mnl. so seide si fiat fiat ‘toen zeiden zij: en het geschiede!’ [1265-70; CG II, Lut.K]; vnnl. Fyat riep 'tkalkoense Haentje ‘Akkoord, riep het kalkoense haantje’ [1627; Rommelpot], dan als zn.: dat Godt den synen niet even juyst en gheeft Fiat op al haer Requesten ‘dat God niet alle verzoeken even zeer zijn goedkeuring geeft, inwilligt’ [1630; WNT], Maar fiat ... ‘Maar akkoord ...’ [1699; WNT]; nnl. myn Koninglyk fiat ‘mijn koninklijke goedkeuring’ [1785; WNT zin].
Via middeleeuws Latijn fiat ‘goedkeuring, bevel’ ontleend aan Latijn fiat, de 3e persoon enkelvoud van de aanvoegende wijs van het Latijnse werkwoord fierī ‘gebeuren, geschieden’, afgeleid van dezelfde wortel als fuī ‘zijn’, zie → bouwen. De letterlijke betekenis is dus ‘dat het geschiede, laat het geschieden, het mag gebeuren’.
De letterlijke Latijnse betekenis ‘(dat) het geschiede’ is in oude en ook nog wel in jongere Nederlandse vindplaatsen als tussenwerpsel terug te vinden. Algemeen gebruikelijk is nu alleen nog het zn. met de betekenis ‘goedkeuring’.
fiatteren ww. ‘goedkeuren’. Nnl. mede ghefiateert ‘mede goedgekeurd’ [1726; Stall.], voor de uitbetaling gefiatteerd [1823; WNT traktement]. Afleiding van fiat, gevormd naar analogie van uit het Frans ontleende werkwoorden op -eren.
Lit.: Rommelpot: J. v.d. Vondel (1627), Rommel-pot Vant Hane-kot, in: J.F.M. Sterck e.a. (red.) (1929), De werken van Vondel, Derde deel 1627-1640, Amsterdam, 117

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fiat [goedkeuring] {1630} < latijn fiat [dat het geschiede], 3e pers. enk. van de aanvoegende wijs van fieri [gebeuren].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fiat is de latijnse ww-vorm fiat ‘het moge geschieden’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† fiat, nnl. uit lat. fiat ‘het geschiede’ ook als znw. o. gebruikt.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fiat (Latijn fiat)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fiat ‘goedkeuring’ -> Indonesisch fiat ‘goedkeuring’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fiat goedkeuring 1630 [WNT request] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut