Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fiasco - (mislukking)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fiasco zn. ‘mislukking’
Nnl. eerst in de uitdrukking fiasco maken ‘uitgefloten worden (bij een toneelstuk)’ [1847; Kramers], ook algemener ‘een mislukking ondergaan’, bijv. in 't Is zeer mogelijk, dat ik fiasco maak, maar die niet waagt, die niet wint [1860; WNT wagen III]; dan als los zn.: een fiasco ‘een mislukking’ [1898; WNT].
Oorspr. als uitdrukking ontleend, via Frans faire fiasco ‘een mislukking ondergaan’ [1840; Rey], aan Italiaans far fiasco ‘id.’ [1808; DEDLI], maar ook als los zn. verschijnt fiasco ‘mislukking’ in het Frans [1865; Rey]. Het Italiaanse woord fiasco betekent ‘fles’, zie ook → fles.
De uitdrukking moet zijn ontstaan in de 18e-eeuwse Parijse theaterwereld, waarin Italiaanse toneelspelers en operazangers een belangrijke rol speelden. In hun Italiaanse toneeljargon was fiasco wellicht weer een leenvertaling van het Franse schooljongenswoord bouteille in de betekenis ‘miskleun, fout’ [1704; Rosenfeld 1953]. De relatie tussen ‘fles’ en ‘mislukking’ is onverklaard; er zijn pogingen gedaan om een verband te leggen met een middeleeuwse straf waarbij iemand een flesvormige steen moest meedragen. DEDLI haalt een Bolognezer harlekijn Domenico Buancolelli (1681) aan, die een monoloog zou hebben geïmproviseerd over een fles die hij in zijn hand hield. Toen de toeschouwers niet lachten, zei Domenico tegen de fles: “Het is jouw schuld als ik vanavond een beest ben!” en hij wierp de fles weg. Vanaf dat voorval zou men zeggen, als een acteur het publiek niet kon boeien: “Het is de fles van Arlecchino.”
Als leenvertaling van faire fiasco is in het Nederlands ook de uitdrukking op de fles gaan ‘bankroet gaan’ ontstaan.
Ook in het Duits kan een persoon een Flasche ‘flapdrol, mislukkeling’ genoemd worden.
Lit.: H.-F. Rosenfeld (1953), ‘Nd. Buddel, hd. Flasche, it. Fiasco, usw.’, in: Neuphilologische Mitteilungen 54, 327-356

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fiasco [mislukking] {1847} < frans fiasco of direct < italiaans fiasco [mislukking], uit het germ., vgl. fles, maar de betekenisontwikkeling van fles tot mislukking is ondanks vele pogingen tot verklaring duister gebleven, mogelijk is het een herinnering aan de straf voor twistzieke vrouwen in de Middeleeuwen; zij moesten een flesvormige steen rond de stad dragen: in middelnederlands steen dragen, hoogduits eine Schandflasche.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fiasco znw. o., evenals nhd. fiasko machen < fra. faire fiasco < ital. far fiasco eig. van de toneelspeler, die in zijn rol faalt. Het woord fiasco is zelf uit het germ. ontleend (got. *flaskō), zie: fles. De herkomst van de uitdrukking staat niet geheel vast. FW 163 herinnert aan de ital. uitdrukking appiccare il fiasco ad alcuno, dat eig. zou zijn ‘een (steen in de vorm van een) fles omhangen’ wat een straf voor twistzieke vrouwen zou zijn geweest. Maar dit verklaart de uitdrukking far fiasco nog niet. Kluge-Mitzka 196 meent dat het ital. een vertaling zou zijn van een fra. bouteille, in de taal der studenten voor ‘een bok schieten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fiasco znw. o. Fiasco maken is als fr. faire fiasco, hd. fiasko machen een vert. van it. far fiasco, een uitdr. gevormd naar appiccare il fiasco ad alcuno “iemand een smet aanwrijven”, eig. “een (steen in den vorm van een) flesch (fiasco) omhangen”, een straf voor twistzieke vrouwen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fiasco , in fiasco maken, over Fra., uit It. far fiasco = een flesch wijn verspelen met de kaarten, mislukken (z. flesch).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

fiasko s.nw.
Algehele mislukking.
Uit Ndl. fiasco (1847).
Ndl. fiasco uit Fr. faire fiasco uit It. far fiasco 'misluk' uit 'skande berokken, met skande van iets afkom' van 'iemand 'n smet aanvryf', lett. ''n fles om die nek hang' (It. fiasco 'fles' van Goties *flasko). In die Middeleeue moes 'n vrou wat veroordeel is vanweë skeltaal en 'n gekyf, as straf 'n steen (in die vorm van 'n fles) om haar nek dra.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fiasco (Italiaans fiasco)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fiasco ‘mislukking’ -> Indonesisch fiasko ‘mislukking’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fiasco mislukking 1847 [KKU] <Italiaans of Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

564. Fiasco lijden (of maken),

d.w.z. geen succes hebben. In het Italiaansch bestaat de uitdrukking appiccare il fiasco ad alcuno, iemand een smet aanwrijven, vooral door een lasterschrift hem zijn crediet en goeden naam ontnemen. De oorsprong dezer uitdrukking moet worden gezocht in de middeleeuwsche straf van twistzieke vrouwen een steen in den vorm van een flesch om te hangen, dien zij eenige uren moest dragenVgl. het mnl. den steen (of die stene) dragen (Mnl. Wdb. VII, 2009); het hd. Schandflasche; Günther, 73; Quanjer, Schand- und Ehrenstrafen, 190; Navorscher, XXII, 433; XXIII, 1; 497; XXIV, 405; Weise. Aesthetik der D. Sprache, p. 77 (noot).. Hieraan kon fiasco de beteekenis schande ontleenen en de uitdrukking ontstaan far fiasco (fr. faire fiasco; hd. Fiasko machen; eng. to make a fiasco) in den zin van zich schande berokkenen, met schande van iets afkomen, mislukken. Vgl. ook de verouderde fr. uitdr. faire une bouteille, een bok schieten?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut