Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ferm - (flink, standvastig, stevig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ferm bn. ‘flink, standvastig, stevig’
Vnnl. ferme ‘vast, bondig’ [1650; Hofman]; nnl. ferm ‘standvastig (van personen)’ [1781; WNT], ‘moedig, flink’ [1815; WNT], ‘stevig, krachtig (van zaken)’ [1873; WNT].
Ontleend aan Frans ferme ‘id.’ [ca. 1140; Rey], dat is ontwikkeld uit Latijn firmus ‘stevig, standvastig’. De verdere herkomst van het Latijnse woord is onzeker. Zie ook → confirmeren, → vormen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ferm [flink] {ferme [vast, bondig] 1650} < frans ferme < latijn firmus [stevig, standvastig, vast], wellicht verwant met fortis [sterk] (vgl. farm, troon).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ferm bnw., eerst na Kiliaen < fra. ferme < lat. firmus ‘stevig’. Het woord schijnt eerst in de laatste helft der 18de eeuw in gebruik te zijn gekomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ferm bnw., nog niet bij Kil. Uit fr. ferme < lat. firmus “stevig”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ferm, schijnt in Noord-Nederland eerst in de laatste helft van de 18e eeuw in gebruik te zijn gekomen. Halma (1782) en Weiland (1828) vermelden het niet.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ferm bijv., uit Fr. ferme, van Lat. firmum (-us) = vast.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ferm (Frans ferme)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ferm ‘flink’ -> Deens ferm ‘flink’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ferm ‘flink’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Ferme jongens, stoere knapen [dichtregel] (1858). Dichter-arts Jan Pieter Heije (1809-1876) publiceert zijn gedicht ‘Naar zee’, met de beginregels “Ferme jongens, wakk’re [later: stoere] knapen,/ Foei, hoe suffend staat gij daar!”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ferm flink 1815 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut