Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

feodaal - (het leenstelsel betreffend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

feodaal bn. ‘het leenstelsel betreffend’
Mnl. in dese zake was feodal ende leenachtich ‘deze zaak ging over leengoederen’ [1358; MNW leenachtich]; vnnl. de materien Feodalen vande Princelijcke Leenen ‘de leenrechtelijke feiten inzake de prinselijke leengoederen’ [ca. 1558; WNT wetachtig], feudale goeden ‘feodale goederen’ [1571; WNT reserveeren].
Al dan niet via Frans féodal ‘id.’ [1328; Rey] ontleend aan middeleeuws Latijn feodalis, feudalis ‘id.’, een afleiding van feodum ‘leen(goed)’ [9e eeuw; Pfeifer], feudum [11e eeuw; Pfeifer]. Beide spellingen (feo- en feu-) zijn in het Nederlands nog in gebruik, de tweede wellicht mede onder invloed van de moderne Duitse vorm feudal [ca. 1800; Pfeifer]. De verdere herkomst van het Latijnse woord is niet zeker, maar gezien vroegmiddeleeuwse nevenvormen als feum, fevum [10e eeuw; Pfeifer] veronderstelt men meestal ontlening aan Frankisch *fehu ‘vee’, zie → vee. De -d- wordt dan toegeschreven aan de invloed van het antoniem allodium, alodum ‘eigendom, eigen bezit’ (< pgm. *alōd- ‘bezit’, zie → al en → kleinood), of aan de invloed van Latijn foedus ‘verdrag, overeenkomst’ (Guiraud).
Gedurende de vroege Middeleeuwen moet een betekenisverschuivig van roerend (vee) naar onroerend goed (land) hebben plaatsgevonden. Het woord kreeg in het Nederlands pas ruimere bekendheid toen in de 19e eeuw de wetenschappelijke belangstelling voor de Middeleeuwen groeide. Buiten die context verwijst het woord nu naar de verhouding tussen grootgrondbezitters en hun boeren.
Een inheems en vroeger geattesteerd synoniem van feodaal is leens(ch).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

feodaal [tot het leenstelsel behorend] {feodaal-goedt 1650, vgl. feodale [leenrechten] 1503} < frans féodal < middeleeuws latijn feodalis, feudalis, van feodum, feudum [leen, geleend goed, leengeld] < frankisch fëhu [roerend goed, vee], ook wel in verband gebracht met latijn foedus (2e nv. foederis) [verbond, verdrag] (vgl. federatie) en met latijn fiscus (vgl. fiscus), uit het germ., vgl. vee.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

feodaal bnw. < fra. féodal (sedert de 15de eeuw) < mlat. feodalis, feudalis. Het woord is afgeleid van feudum, dat met een invoeging van een d naar het voorbeeld van allodium ontstaan is uit mlat. feum, dat zelf weer teruggaat op een germ. woord, vgl. ohd. fihu, got. faihu ‘vee’ (waarvoor zie: vee).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

feodaal ‘tot het leenstelsel behorend’ -> Indonesisch féodal ‘tot het leenstelsel behorend’; Menadonees féodal ‘tot het leenstelsel behorend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

feodaal tot het leenstelsel behorend 1650 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut