Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

feest - (vreugdevolle viering)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

feest zn. ‘vreugdevolle viering’
Mnl. feesten (mv.) ‘feestelijke vieringen, gildefeesten’ [1254; CG I, 63], daer es die blischap ende die feeste ‘daar is de blijdschap en het feest’ [1265-70; CG II, Lut.K], si aten dronken ende maecten feeste ‘ze aten, dronken en vierden feest’ [1285; CG II, Rijmb.].
Ontleend aan Oudfrans feste ‘id.’ [1050; Rey] (Nieuwfrans fête), ontwikkeld uit Latijn festa (diēs) ‘feestelijke dag, feestdag’. Het Latijnse bn. fēstus ‘feestelijk’ werd meestal gesubstantiveerd tot de onzijdige meervoudsvorm festa, die als vrouwelijk enkelvoud werd ervaren en zowel op enkel- als op meerdaagse feesten betrekking kon hebben. Het woordgeslacht was in het Middelnederlands (en nog altijd in Zuid-Nederlandse dialecten) nog net als in het Frans vrouwelijk. Zoals ook → beest is het woord in het Nederlands onzijdig geworden.
Ook de meeste andere Germaanse talen hebben dit woord ontleend: mhd. vēsta ‘id.’ (nhd. Fest); me., ne. feast ‘religieus festival, plechtige viering, feestmaal’; nzw. fest.
Latijn fēstus is verwant met Latijn fēriae ‘feestdagen’ (zie ook → vieren 2 ‘feesten’ en → fancyfair) en met fānum ‘tempel’ < *fasnom (zie → fanatiek); bij de wortel pie. *dh(e)h1s- ‘heilig’ (IEW 259), zie → theologie.
Directe ontlening aan Latijn festa ‘feest’ in de kerkelijk sfeer is ook goed mogelijk, de Middelnederlandse betekenis was immers vooral ‘religieus feest’, zoals nu nog in samenstellingen als paasfeest, kerstfeest. Aan patroonheiligen gewijde gildenfeesten gingen gepaard met uitgebreide maaltijden en andere feestelijkheden, en zo ontwikkelde de betekenis van het woord zich in wereldlijke richting.
Uit hetzelfde Latijnse woord festa zijn voortgekomen: via het Frans → festiviteit en → fêteren, via het Italiaans en het Frans → festijn en → festoen, en via het Engels en het Frans → festival.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

feest [viering] {feest(e) 1254} < oudfrans feste < vulgair latijn ∗festa, vr. enk., eig. o. mv. van lat. festum [feest], gesubstantiveerd o. enk. van festus [feestelijk, plechtig; oorspr. met betrekking tot een godsdienstig feest], vgl. fanum [heilige, aan de godheid gewijde plaats]; van dezelfde i.-e. stam als grieks theos [god].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

feest znw. o., mnl. feeste, feest v. ‘feest, vreugde, rumoer’ < ofra. feste < lat. festa, het collectief van festum ‘feest’. — Het geslacht werd van v. > o. evenals bij beest; kan ten dele onder invloed van lat. festum zijn, vgl. ook mhd. vēst, nhd. fest.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

feest znw. o., mnl. feeste, feest v. “feest, vreugde, rumoer”. Dial. ê, niet ē: vgl. beest, ook voor de geslachtsverandering. Evenals eng. feast uit ofr. feste (fr. fête) en dit uit lat. festa. Uit lat. festum mhd. (nhd.) fest o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

feest o., Mnl. feeste, uit Ofra. feste (thans fête), van Lat. festa, meerv. van festum = feest, zelfst. gebr. onz. van festus = heerlijk, van denz. wortel, waarvan ook feriæ (z. vieren) + Skr. wrt. bhas = glanzen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

fies (zn.) feest; Vreugmiddelnederlands feeste <1265-1270> < Latien festa.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

fees s.nw.
1. Plegtige of vreugdevolle herdenking van 'n gebeurtenis of persoon. 2. Geleentheid, tydperk in die besonder gewy aan iets. 3. Byeenkoms vir gesellige verkeer. 4. Feestelike maaltyd. 5. Iets wat groot vreugde verskaf.
Uit Ndl. feest (Mnl. feest, feeste).
Ndl. feest uit Oudfrans feste uit Middeleeuse Latyn festa, festum 'fees' uit Klassieke Latyn (dies) festa 'feestelike (dag)', festus, vr. festa 'feestelik, vrolik', oorspr. 'plegtig'; vgl. Oudlatyn fanum 'heilige plek', van dieselfde basis as Grieks theos 'god'.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die samestelling fees-day (1971).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

feest: een feest als een feest, een geweldig feest, een zeer geslaagd feest. Het is een feest als een feest geworden. Er trad een muziekband op (), en, gelooft u ’t of niet, de 85-jarige danste elk stuk dat de band speelde met één van haar kinderen, kleinkinderen of één van de vele vrienden (WS 15-5-1982).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

feest (Latijn festa of Oudfrans feste)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Feest van ’t Lat. festum = heerlijk. Hiervan komt ook feriae = viertijden, bij ons vieren (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

feest ‘viering’ -> Ambons-Maleis pèsta ‘viering’; Boeginees pesæta ‘viering’; Javaans dialect pésta ‘viering’; Keiëes festa ‘viering’; Makassaars peseta ‘viering’; Menadonees pèsta ‘viering’; Petjoh pesta ‘viering’ ; Negerhollands feesa ‘viering, partijtje’; Sranantongo fesa ‘viering’; Surinaams-Javaans fés ‘viering, fuif’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

feest der herkenning [uitdrukking] (1961). Dirigent André Rieu sr. (1917-1992) spreekt in 1961 in een interview van een ‘feest van herkenning’, dat in zwang raakt als ‘feest der/van herkenning’.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

feest viering 1265-1270 [VMNW] <Frans of Latijn

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

feest der feesten, het belangrijkste feest. De van oorsprong Hebreeuwse superlatiefconstructie met een genitief meervoud, welbekend uit de bijbel, is de laatste jaren erg populair geworden. → baas* der bazen; tocht* der tochten*.

We moesten zeker 25 jaar hebben om naar het ‘feest der feesten’ toe te kunnen werken. (Nieuwe Revu, 26/03/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut