Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fee - (tovergodin)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fee zn. ‘tovergodin’
Mnl. feye, bijv. in [ua]n feien geboren ‘uit een tovenares, fee geboren’ [1220-40; CG II, Aiol], Morgeyn die feye ‘Morgana de fee’ [1300-50; MNW-R], scuene feye ‘schone fee, betoverende vrouw’ [1400-25; MNW-R]; nnl. fee ‘tovergodin’ [1824; Weiland], feeën (mv.) ‘vrouwelijke sprookjeswezens’ [1855; WNT wijkplaats].
De huidige vorm is ontleend aan Frans fée ‘fee’, dat via Oudfrans (zn. en bn.) fae, fée ‘fee; betoverd, met toverkracht begiftigd’ [ca. 1140; Rey] en vulgair Latijn fata ‘fee, godin van het lot’ een vrouwelijke afleiding van klassiek Latijn fātum ‘(nood)lot’, zie → fataal.
Verwant, met dezelfde oorsprong en betekenis, zijn: Spaans hada; Portugees fada; Italiaans fata (zie → fata morgana); Middelhoogduits fei, feie ‘id.’ [12e eeuw]; Middelengels faie [1393] (Nieuwengels fay).
Het woord is in het Nederlands tweemaal ontleend. De Middelnederlandse vormen zijn ontleningen aan Oudfrans faye ‘fee’ in het kader van de literatuur rond koning Arthur, wiens zuster Morgana als een fee werd voorgesteld. Het woord komt in het MNW (met inbegrip van de rijmende teksten) slechts een paar maal voor; de jongste vindplaats is van het begin van de 15e eeuw. Daarna verdwijnt het. Van het Middelfranse verhaal van de fee Mélusine, dat Jean d'Arras in 1392-93 schreef, werd in 1491 een Middelnederlandse vertaling gedrukt. In de Franse tekst wordt regelmatig de term fae (met wisselende schrijfwijze) gebruikt om het wezen van Melusine te omschrijven, in het Middelnederlands is dat woord consequent vervangen door alvinne of serpent, op een enkele uitzondering na, wanneer de vertaler het Franse woord faeez (mv.) ‘feeën’ ten onrechte opvatte als een eigennaam en zo overnam. In de 18e eeuw vond opnieuw ontlening plaats op grond van het voorkomen in de sprookjes, die in die tijd meestal uit het Frans werden vertaald.
feeëriek bn. ‘sprookjesachtig’. Nnl. feëriek ‘toverachtig mooi’ [1919; Koenen]. Ontleend aan Frans féerique ‘id.’ [1828; Rey], afleiding van féerie ‘toverij’ (Oudfrans faerie ‘id.’ [ca. 1182; Rey]) met het achtervoegsel -ique. Opmerkelijk is dat het Engelse zn. fairy ‘elf, fee’ [fairie 1393; OED] (als bn. ‘toverachtig’ [ca. 1640; OED]) is ontleend aan Oudfrans faerie ‘toverij’; de betekenis ‘elf, fee’ ontwikkelde zich uit oudere betekenissen als ‘toverij’ [ca. 1300; OED] en ‘land van elfen, volk van elfen of feeën’ [ca. 1320; OED].
Lit.: L. Harf-Lancner (1984), Les fées au Moyen Age. Morgane et Mélusine, la naissance des fées, Paris

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fee [vrouwelijke sprookjesfiguur] {1871, vgl. feye [fee, tovenares] 1220-1240} < frans fée < vulgair latijn fata [noodlotsgodin] (vgl. fata morgana).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fee znw. v., eerst nnl., evenals nhd. fee en ne. fay in de 18de eeuw < fra. fée. Reeds mnl. feye ‘fee, tovenares’ evenals mhd. fei, feie (sedert de 12de eeuw) < ofra. feie naast fae, fée < vulgair-lat. *fata ‘noodlotsgodin’ < lat. fatua ‘profetes’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fee znw. Nnl. nhd. fee v. (> de. fe, zw. ), eng. fay “fee” uit fr. fée, en dit uit vulgairlat. fâta “noodlotsgodin”, uit het o. mv. fâta ontstaan. Mnl. mhd. feie v. “fee” uit een ofr. vorm feie.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

fee. Zw. , de. fe eerder rechtstreeks uit het Fr. (niet via het Hd.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fee v., uit Fr. fée, van Mlat. fata = godes van het noodlot, van klass. Lat. fatum = uitspraak, noodlot, zelfst. gebr. onz. v.d. van fari (z. faam).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

fee s.nw.
Bonatuurlike, meestal bekoorlike wesentjie met toorkrag.
Uit Ndl. fee (Mnl. feye).
Ndl. fee uit Oudfrans feie, naas fae, fée, uit Laat-Latyn *fata 'noodlotsgodin' uit Latyn fatua 'profetes', eintlik 'iemand wat in 'n verdwaasde toestand gesigte sien'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

fee: “goedgesinde vr. gees” (in sprokies); Ndl. fee (Mnl. feie uit Ofr. feie), soos Hd. fee en Eng. fay, na Mnl. uit Fr. fée, uit Ll. fata, “noodlotsgodin”, mntl. verb. m. Lat. fatua, “profetes” (eint. “iemand wat in ’n verdwaasde toestand gesigte sien”).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fee ‘beloning’ (Engels fee)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

feeën ‘sprookjesfiguren’ -> Chinees-Maleis fèyen ‘sprookjesfiguren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fee vrouwelijke sprookjesfiguur 1871 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut