Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fauteuil - (leunstoel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fauteuil zn. ‘leunstoel’
Nnl. fauteuil ‘id.’ [1776; WNT vis à vis].
Ontleend aan Frans fauteuil ‘leunstoel’ [1589; Rey], ouder faudesteuil [13e eeuw; Rey] (nog tot in de 16e eeuw fauldetueil), ontwikkeld uit Oudfrans faldestoel [11e eeuw; Rey] < Frankisch *faldi-stōl, letterlijk ‘vouw-stoel’, een samenstelling uit de stam van → vouwen en het zn.stoel.
Ook in het middeleeuws Latijn was het woord bekend, als faldistolium of faldistorium [ca. 1100], waaruit o.a. Oudengels fældestōl, Engels faldstool ‘bisschopsstoel, bidstoel, lezenaar, vouwstoel’. Ook Oudhoogduits faldi-, faltistuol [10e-11e eeuw; Pfeifer].
Het woord duidde in de Middeleeuwen een opklapbare, rijk gedecoreerde zetel voor belangrijke personen aan, die men gebruikte op andere plaatsen dan de thuisbasis. De betekenis is in het Frans via ‘stoel voor belangrijke personen’ naar een algemener ‘comfortabele stoel’ ontwikkeld, en zo ontleend door het Nederlands.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fauteuil [leunstoel] {1776} < frans fauteuil < oudfrans faldestoel, faldestueil, faudeteuil, uit het germ., vgl. oudhoogduits faltistuol [lett.: vouwstoel] (vgl. faldistorium).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

fauteuil (zn.) leunstoel; Nuinederlands fauteuil <1776> < Frans fauteuil.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fauteuil (Frans fauteuil)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fauteuil leunstoel 1776 [WNT vis-aÚ-vis] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

fauteuil: in een — zitten, winnen (← Fr. arriver dans un fauteuil), bij het wielrennen: zonder veel moeite, erg gemakkelijk winnen, de eindstreep halen. → met de vingers* in de neus; in een zetel*.

Krabbé werd in een fauteuil naar de eindstreep gebracht. (Tim Krabbé: De renner, 1984)
Met zijn ploegmaten Boorsma, Wolsink en Vaanhold (reed niet echt goed, maar was in de finale toch nuttig mee) als afstoppers, zat Vos natuurlijk in een fauteuil. (Wielerrevue, 27/05/88)
Deze keer kwam ik door Godefroot in een fauteuil te zitten, waardoor ik profiteerde en waardoor ik eigenlijk Milaan-San Remo won. (Gijs Zandbergen: Alleen op kop, 1980)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut