Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

faun - (halfgod van veld en bos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

faun zn. ‘halfgod van veld en bos’
Vnnl. een groote somme Faunen ‘een groot aantal faunen’ [1568; WNT Aanv.].
Ontleend aan Latijn Faunus ‘Romeinse god van de herders en kudden’. Later werd deze god met Pan geïdentificeerd. Het woord is mogelijk verwant met Grieks thaũnon ‘wild beest’. Anders wordt wel verband gezocht met Latijn favēre ‘gunstig gezind zijn’, zie → faveur. Van deze godennaam is ook → fauna afgeleid.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

faun [bos- en veldgod] {1579} < latijn Faunus [oud-Italische veld- en bosgod; beschermer van kudden en herders], met Pan gelijkgesteld, mogelijk verwant met grieks thaunon [wild beest] (vgl. fauna).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

faun bos- en veldgod 1579 [WNT aanrecht] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut