Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

farce - (klucht, schijnvertoning; vulsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

farce zn. ‘klucht, schijnvertoning; vulsel’
Vnnl. farcie, farsse ‘klucht, blijspel’ [1599; Kil.], comedianten ... die 's Princen farcen spelen [1617; WNT]; nnl. farce ‘vertoning die niets om het lijf heeft’ [1992; van Dale]. Daarnaast als culinaire term nnl. farce ‘vleesvulsel’ [1811; Blussé].
Ontleend aan Frans farce ‘klucht, blijspel’ [1448; Rey]. De oorspr. betekenis van dit woord is ‘vulsel’ [13e eeuw; Rey]; het is ontwikkeld uit Laatlatijn farsa, de gesubstantiveerde vrouwelijke vorm van het verl.deelw. farsus van klassiek Latijn farcīre ‘vullen (van gerechten), vetmesten (van dieren)’.
Met middeleeuws Latijn farsa duidde men bij kerkdiensten de intermezzo's in de volkstaal (de ‘opvullingen’) aan. Via ‘vermakelijk bijverhaal’ ontstond daaruit in het Frans de betekenis ‘klucht’, wat later ook wel afgezwakt werd tot ‘grap, poets’; in het Nederlands is de aan het toneel gerelateerde betekenis vrijwel verdwenen, ten gunste van het negatievere ‘schijnvertoning’.
Naast deze ontwikkeling is Frans farce ‘fijngehakt vlees voor het opvullen van gevogelte, pasteitjes e.d.’ als culinaire vakterm blijven bestaan en door het Nederlands later ook aan het Frans ontleend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

farce [dwaze grap, vulsel voor gevogelte] {1617} < frans farce < middeleeuws latijn fars(i)a [een klucht die in een mysteriespel is ingevoegd], van farcire [volstoppen, opvullen, iets (als vulsel) ergens instoppen], nederlands farceren [volstoppen met gehakt en truffels] (vgl. frequent).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

fars, fers, zn.: poets, grap, klucht. Fr. farce < volkslat. farsa, gesubstantiveerde vrouwelijke vorm van het volt. dw. farsus van ww. farcîre ‘volstoppen, opvullen’. Het was oorspronkelijk een geestig of grappig tussenspel - een opvulling - in de volkstaal tijdens een religieuze plechtigheid of in een mysteriespel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

farce dwaze grap 1617 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal