Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fantast - (iem. met sterke fantasie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fantasie zn. ‘verbeeldingskracht’
Mnl. fantasie ‘droombeeld, hersenschim’ [1265-70; CG II, Lut.K], fantasie ‘dwaasheid’ [1477; Teuth.]; nnl. fantasie ‘verbeelding’ [1650; Hofman]; nnl. als muziekterm ‘instrumentaal stuk met vrije vorm en/of improviserend karakter’: een phantasie van Beethoven voor piano en orchest en koor [1866; WNT piano I], eerder in de Italiaanse vorm fantasia [1795; WNT Aanv. boutade].
Via Oudfrans fantasie ‘verbeelding(skracht)’ [ca. 1200; Rey] (Nieuwfrans fantaisie) ontleend aan Latijn phantasia ‘gedachte, idee’ < Grieks phantasíā ‘voorstelling, idee, indruk’, eerder ‘verschijning’ en afgeleid van het werkwoord phantázein ‘zichtbaar maken, tonen’ bij phantós ‘zichtbaar’, dat een afleiding is van phaínein ‘(doen) verschijnen’, dat Indo-Europees wel verbonden wordt met → boenen.
In de muzikale betekenis is fantasie ontleend aan Italiaans fantasia, in de 16e eeuw een compositie die doorbroken werd door vrije instrumentale passages, daarna gebruikt voor allerlei composities met een vrij karakter.
Andere afleidingen bij dezelfde Griekse stam zijn bijv.fancy, → fantoom, → fase, → emfaze, → fenomeen.
fantaseren ww. ‘zich verbeelden’. Mnl. fantaseeren ‘overpeinzen’ [1477; Teuth.]; vnnl. ‘zich verbeelden’ [midden 16e eeuw; WNT vitupereeren]. Ontleend aan Frans fantasier ‘fantaseren, zich verbeelden’ [1458; TLF], later ook ‘zich verbeelden’, een afleiding van fantasie. ♦ fantast zn. ‘iemand met rijke verbeelding’. Vnnl. fantast ‘id.’ [1599; Kil.]. Ontleend aan Duits Phantast [15e eeuw; Pfeifer], dat wrsch. is gevormd naar het voorbeeld van Grieks phantastikós ‘in staat zich voorstellingen te vormen’. Zie ook → fantastisch.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fantast [iem. met sterke fantasie] {1599} < hoogduits Phantast, wellicht naar grieks phantastès [iem. die dik doet, pocher], van phantazein [zich iets inbeelden, reflexief: zich vertonen, zich trots gedragen].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fantast (Latijn phantasta)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fantast ‘iemand met sterke fantasie’ -> Negerhollands fantast ‘iemand met sterke fantasie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fantast iem. met sterke fantasie 1599 [Kil.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut