Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

familie - (het geheel van bloedverwanten; gezin)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

familie zn. ‘het geheel van bloedverwanten; gezin’
Mnl. familie ‘huisgezin inclusief personeel en/of gevolg’, bijv. in ghewapent met menechten van haren familien ‘gewapend met een groot deel van hun gevolg’ [1350-84; MNW] en daer ... CM familien nu in woenen ‘waar honderdduizend families wonen’ [1390-1410; MNW-R], in deze betekenis al in het Vroegnieuwnederlands verouderd; familie ‘bloedverwanten, geslacht’ in hi al dixstwile t'Uccle es ende sine familie aldair ... ‘hij dikwijls in Ukkel is en zijn familie aldaar ...’ [1389; Stall.]; vnnl. familie ‘huisgezin; geslacht of stam’ [1553; van den Werve].
Ontleend aan Latijn familia ‘geheel van huisgenoten (inclusief de slaven)’, een afleiding bij famulus ‘dienaar’, van onbekende verdere herkomst.
Bij de Romeinen werden dus alle gezinsleden én het personeel hiermee aangeduid; dat was ook in het middeleeuws Latijn het geval. Pas na de Middeleeuwen beperkte het woord zich in het Frans en onder invloed daarvan ook in het Nederlands tot alleen de gezinsleden. Die betekenis kon zich vervolgens weer uitbreiden naar bloedverwanten in het algemeen. Zie ook → gezin.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

familie [gezin, bloedverwanten] {1291-1300 in de betekenis ‘bedienend personeel’; de betekenis ‘gezin’ 1566-1568} < latijn familia [dienstpersoneel, huisgezin, familie], van famulus, oudlatijn famul [dienend; als zn. slaaf, bediende, knecht].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

familie znw. v., mnl. familie ‘onderhorigen, personeel; huisgezin; kudde’ < fra. famille < lat. familia ‘dienstdoend personeel; familie’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

familie znw., mnl. familie v. “onderhoorigen, kudde”, zelden “huisgezin”. Of direct uit lat. familia òf via fr. famille. Ook in andere germ. talen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

familie. Op voortdurend contact met het fr. woord wijst de vorm famielje en, sedert die minder beschaafd is geworden, famille in aansluiting aan de tegenwoordige fr. uitspraak.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

familie v., uit Fr. famille, van Lat. familiam (-a) = huis + Skr.dhāma = huis, zooveel als stichting; met famulus = knecht, afgel. van denz. wortel als facere = doen, maken, stichten (z. doen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

femilie (zn.) familie; Middelnederlands familie <1389> < Frans famille.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

familie s.nw.
1. Huisgesin bestaande uit ouers en kinders. 2. Groep bloedverwante. 3. (biologie) Afdeling van 'n orde bestaande uit 'n groep nou verwante geslagte. 4. Groep, klas.
Uit Ndl. familie (al Mnl. in die bet. 'onderhoriges, gevolg, personeel', 'huisgesin', 'kudde').
Ndl. familie uit Latyn familia 'dienspersoneel, huisgesin, familie' uit famulus uit Oudlatyn famul 'dienend, slaaf, kneg'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

familie ‘bloedverwanten’ (Latijn familia); ‘gezin’ (Engels family)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

familie ‘gezin, bloedverwanten’ -> Zuid-Afrikaans-Engels family ‘bloedverwanten’ ; Indonesisch famili, pamili, permili ‘gezin, verwanten’; Ambons-Maleis famili ‘gezin, bloedverwanten’; Jakartaans-Maleis pamili, permili ‘gezin, bloedverwanten’; Javaans pamili, permili ‘gezin, bloedverwanten’; Kupang-Maleis famili ‘gezin, bloedverwanten’; Menadonees famili ‘gezin, bloedverwanten’; Minangkabaus pamili ‘gezin, bloedverwanten’; Ternataans-Maleis famili ‘gezin, bloedverwanten’; Petjoh fermilie ‘gezin, bloedverwanten’; Negerhollands familie, famili ‘gezin, bloedverwanten’; Berbice-Nederlands famili ‘gezin, bloedverwanten’; Sranantongo famiri ‘gezin, bloedverwanten’; Saramakkaans famíí ‘bloedverwanten’ ; Surinaams-Javaans famiri, pamili, pamiri ‘gezin, bloedverwanten’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

familie gezin, bloedverwanten 1566-1568 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut