Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

faliekant - (verkeerd, mis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

faliekant bn. ‘verkeerd, mis’
Mnl. faliecant ‘een niet rechte hoek, een scheve kant’ [1487; MNHWS]; vnnl. faelie-kant (zn.) ‘afwijkende (niet-rechte) hoek’, (bn.) ‘niet recht’ [1599; Kil.] en bijv. in de samenstelling falicanthout ‘niet rechthoekig gezaagd hout’ [1644; WNT]. Ook al vroeg overdrachtelijk ‘iets wat niet in orde is, iets ontbrekends’, bijv. in doch selden gebeurt het datter falicant aen ghevonden wordt [1596; WNT]; nnl. 't Is falikant, Dat is, het feilt, 't is mis, 't is niet zo 't moest zyn [1727; WNT]. Als bijwoord veel jonger: als inhoudswoord in dat komt ... faliekant uit ‘dat loopt slecht af’ [1861; WNT], maar in de hedendaagse taal vooral als versterkend bijwoord in een beperkt aantal combinaties, zoals: faliekant tegen, faliekant mis [beide 1918; WNT] of faliekant mislukt, faliekant oneens, faliekant ernaast zitten, etc., en bij uitbreiding ook weer als bn. in faliekante mislukking, onzin, fouten, etc.
Samenstelling met → kant 1 ‘zijde’ en een eerste lid falie ‘verkeerd, scheef’ (mnl. faelge ‘fout, misslag’), ontleend aan Frans faille ‘fout, gebrek’ bij faillir ‘ontbreken, missen, een fout begaan’, zie → falen.
Bovengenoemde letterlijke betekenis met betrekking tot niet goed gezaagd hout raakte snel verouderd, ten gunste van het algemenere ‘verkeerd’. De overgang van zn. naar bn. is al gaande in de vindplaats van 1596, waar geen lidwoord wordt gebruikt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

faliekant [verkeerd] {faliecant [een niet-rechte hoek, schuine kant] 1487} van middelnederlands faelge [gebrek, fout], falie [faliekant] < oudfrans faille [gebrek, fout] (vgl. failliet) + kant, dus eigenlijk de gebrekkige, scheve kant.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

faliekant bnw., mnl. faliecant ‘een niet rechte hoek’ en faliecanten (van een dijk) ‘afschuinen’ is samengesteld uit falie ‘gebrek’ en kant 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

faliekant bijw. bnw., bij Kil. als znw. = “niet rechte hoek”, reeds laat-mnl. blijkens ʼt ww. falicanten “schuins glooiend afwerken”. Als znw. = “ongelijke plankzijde” nog in ʼt Land van Waas. Opvallende samenst. van falie “gebrek” (= faelge; zie falen) en kant I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

faliekant. Als bnw. kent Kil. faeliekantigh. Uit het Ndl. ofri. falikant ‘bedrog’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

faliekant bijv., het 1e lid is Mnl. faelge = gebrek, fout, bedrog, uit Ofra. faille, verbaalabstr. van faillir = feilen (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

faliekant s.nw.
Verkeerde kant.
Uit Ndl. faliekant (Mnl. faliecant) 'nie regte hoek, skewe kant'. Mnl. faliecant is 'n samestelling van falie 'verkeerd' en cant 'hoek, kant'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

faliekant [+]: “verkeerd”; “bedrog/valsheid”; reeds Lmnl. en by Kil as s.nw. in bet. “nie-regte hoek”, in bet. “bedrog” soms nog in regstaal; Ndl. faliekant, verb. m. falie en faal (q.v.).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Faliekant uitkomen, een uitdrukking overeenkomstig gevormd als vierkant neerkomen, pal staan, platzak thuiskomen; faliekant = met een of meer mislukte zijden of kanten of op den verkeerden kant, eig. ongelijke kant van mnl. faelge = gebrek, schaarschte, mislukking enz. Kil. geeft op: “Faliekant. Angulus non aequalis, non quadratus ant rectus.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

faliekant ‘verkeerd, mis’ -> Duits dialect † Faaikant ‘gebrek, fout, vergissing; iemand met een twijfelachtig karakter’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

faliekant verkeerd, mis 1727 [Tuinman]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

562. Faliekant uitkomen (of uitloopen),

d.i. verkeerd uitkomen, nl. van verwachtingen en berekeningen. Het znw. faliekant (van het fr. faille en ndl. kant), dat reeds in de middeleeuwen moet hebben bestaanMen kende ook een dijc faliecanten, een dijk schuins glooiend afwerken, schuins afsteken (o.a. Vierl. 138). In het Land v. Waas is een faliekant een ‘plankzijde die ongelijk is’ (Waasch Idiot. 212); De Bo, 1236: valkant schuins (Schuerm. Bijv. 352)., beteekent volgens Kiliaen: ‘angulus non aequalis, non quadratus aut rectus’, dus een niet rechte hoek, een scheeve kant. Vandaar dat wij ‘faliekant uitkomen’ gebruiken voor: niet goed uitkomen, verkeerd of zooals wij ook zeggen met een pannestuk (niet met een geheele (dak)pan) uitkomen. Zie het Mnl. Wdb. II, 777; Stallaert I, 415 a en Tuinman II, 131: t' Is falikant, dat is, het feilt, 't is mis, 't is niet zo 't moest zyn; Halma, 142: Falikant, falikantig, ontrouw, valsch; iemand ergens falikant of trouwloos in vinden, trouver que quelqu'un n'agit pas rondement dans une affaire; Harreb. I, 190 a: Het komt falikant uit; B.B. 326: Dat loopt toch falikant uit; Het Volk, 8 Nov. 1913 p. 1 k. 4: Dat is faliekant uitgekomen; Bouman, 26; fri. faeljekant útkomme. In de 15de eeuw zeide men ook sonder falikant in den zin van zonder bedrog, zonder mankeeren, zekerTijdschr. XXXIX, 112., evenals thans nog in het Friesch: sonder faeljekant; in het Groningsch zegt men nog: doar is gijn foaliekant bie = de zaak is goed in orde, dat zal niet verkeerd uitvallen (Molema, 110 b); evenzoo in het Oostfri.: dâr was gên falikant bi naast dat kwam falikant ût. In Zuidnederland kent men valekant, valkant en valekantig; zie De Cock1, 153.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut