Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

falie - (sluierdoek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

falie zn. ‘sluierdoek’
Mnl. faile ‘soort mantel’ [1240; Bern.], faelge in Ic sal u gheuen draghen .xxx. rocke ende faelgen der toe ‘ik schenk u 30 overkleden en bovendien mantels om te dragen’ [1285; CG II, Rijmb.], falie [eind 14e eeuw; MNW]; vnnl. falie ‘vrouwenmantel zonder mouwen, gedragen over schouders en hoofd’ [1599; Kil.]. In de moderne taal nog vooral in de uitdrukking op zijn falie krijgen ‘een pak slaag krijgen’ [1872; WNT verteren I].
Wrsch. ontleend aan Frans faille ‘lange sluier, hoofddoek’ [1250-1300; Rey], waarvan de herkomst onbekend. Van dit oorspr. Noord-Franse woord wordt echter ook wel gezegd dat het uit het Nederlands is overgenomen (MNW, NEW), maar de Middelnederlandse vormen tonen steeds een gepalataliseerde -l-, die kenmerkend is voor het Frans, en de vernederlandste vorm falie dateert pas van later. Frans faille staat misschien in verband met faillir < Latijn fallere, zie → failliet. Concreet (volgens Guiraud): via een Waals zn. faille ‘tekort, opening’ > ‘textiel met losse mazen’, vergelijkbaar met Provençaals falho ‘net’ en faio ‘gedeelte van een geweven stof waar de mazen minder fijn zijn’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

falie [sluierdoek] {falie, faelge [mantel, huik, sluier] 1201-1250} < oudfrans faille [vierkante doek die men over het hoofd drapeert], van onzekere herkomst, volgens sommigen < nederlands falie, vgl. op zijn falie krijgen, op zijn tabberd krijgen, de mantel uitvegenfeil2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

falie znw. v., mnl. falie, faelge, fale ‘mantel, huik, sluier’ is wel niet af te leiden uit fra. faile ‘vierkante stof als hoofdbedekking van vrouwen’ daar het woord eerst in de 13de eeuw in Noord-Frankrijk voorkomt en dus zelf uit vla. falie is overgenomen (Valkhoff 134). Te vergelijken zijn oostfri. feil, mhd. feile. Het woord is verder onduidelijk; de f maakt een afleiding uit lat. velum ‘zeil’ wel bezwaarlijk, ofschoon bij fielt, fooi en fraai deze substitutie ook voorkomt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

falie (mantel met kap; alg.-ndl. alleen nog in op zijn falie krijgen, geven; voor de bet. vgl. op zijn tabbaard krijgen, geven), mnl. falie, fale, faelge v. “mantel, huik, sluier”. Uit ofr. faille “lange sluier, hoofddoek” (speciaal van vla. vrouwen), dat ook in ʼt Mhd. en Mnd. overging. Oorsprong?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

falie. De bij romanisten algemeen aanvaarde afleiding van ofr. faille uit mnl. falie is stellig (met M. Valkhoff Mots français dʼor. néerl. 134) te verwerpen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

falie v., Mnl. faelge, uit Fra. faille = sluier, wellicht opgemaakt uit taffetas à failles = taf met leemten nl. in de strepen of korrels (z. faliekant), maar opgevat als taf voor falies.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

faalje verouderd, (zn.) voile, sluierdoek; Vreugmiddelnederlands faile <1240> < Frans faille.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

falie s.nw.
1. (histories) Swart sluier. 2. Kapmantel.
Uit Ndl. falie (Mnl. falie, faelge, fale). Word nog in S.Nederland tydens begrafnisse gedra.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Falie, voor voile (fra.) lat. velum, zeil, eig. lap. Voor de verscherping zie ook bij Feil. In de uitdrukking iemand op zijn falie geven heeft men het gewone geval, dat men het kleedingstuk noemt voor ’t lichaam er onder, verg. op zijn baadje, op zijn tabberd, op zijn wammes geven, komen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

falie ‘sluierdoek’ -> Engels fala ‘omslagdoek’; Duits dialect Falgen, Falje ‘sluierdoek’ ;? Deens faillie ‘sluierdoek; sterke zijden stof’ ; Frans faille ‘sluier, sjaal’; Papiaments † falie ‘sluierdoek’.

wijde falie ‘wijde mantel’ -> Frans dialect † witefale, witefaille ‘maskerade, vermomming’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

561. Op zijn falie krijgen,

d.w.z. afgeranseld worden; een pak slaag krijgen; iemand op zijn falie komen of geven, iemand afranselen. Onder een falie verstond men in de middeleeuwen een mantel, dien de vrouwen omsloegen, een soort regenmantel, een huik, in welke beteekenis het woord dialectisch nog bekend is (Hoeufft, 147). Thans wordt er dialectisch ook onder verstaan een sluier (zie o.a. V.d. Water, 75; Onze Volkstaal II, 85; Teirl. 416: faalde, soort van hoofd- of schoudersluier; evenzoo Antw. Idiot. 414). Vgl. Speenhoff II, 99:

Als ze net zoo trouw was
Als haar lieve man,
Krijgt ze op haar falie
Met de koekepan.

Boefje, 26: Heb 'k met de riem op me valie gehad; Jord. 96: Joapie hep op se foalie gehed; Slop, 77: Hij voor zich had liever een pak op z'n falie dan dàt; blz. 269: Iemand op zijn falie geven; Nkr. VII, 26 Juli, p. 2: Wat heeft die Bram Geldzak op z'n falie gehad! De uitdr. is te vergelijken met: iemand den mantel uitvegen; iemand wat op het jak geven; op zijn wambuis krijgen; dial. iem. wammessen (Nav. XXIV, 418); iemand op zijn barstjánsen geven (De Vries, 62); iemand op zijn vacht of op zijn vestje komen; iemand over zijn schalen komen (Jong. 235); iemand er een over zijn schalengeven (B.B. 195); op zijn govie(?) krijgen (Houben, 93); iemand op zijn kazak of zijn kazuifelgeven (Tuerlinckx, 307; 308); op zijn schabernak krijgen (De Bo), op zijn tabberd, op zijn lappen, vodden krijgen. In het Haspengouwsch zegt men: ‘iemand aan zijn falie komen’ (Rutten, 65 a). Zie verder De Cock1, 152-154; Boekenoogen, 205; Opprel, 55 a; Gunnink, 128; Van Schothorst, 127; fri. immen op syn faelje kommeIn den zin van gezicht (facie) vindt men falie in B.B. 175: Ik wou dat je je falie dicht hield, zegt de Rooie..

978. Iemand op zijn huid geven,

d.w.z. iemand een pak slaag geven; hem den mantel uitvegen; mnl. enen op sine vacht smiten; 17de eeuw: iemand op de huid smijten; Winschooten, 2 en Halma, 229: iemand op de huid komen, iemand afrossen. Syn. iemand op zijn tabernakel komen; op de ribben komen, slaan; op zijn pens (Gallée, 33 a); op zijn poffel geven (Boekenoogen, 772); over zijn schalen geven (Boekenoogen, 1354), waarnaast op zijn schaliën krijgen (Onze Volkstaal I, 240); op zijn salaat geven (Harrebomée II, 235 b); op zijn mieter, kop, falie, dak, nek krijgen; op zijn kolder krijgen (Sewel, 405); op zijn pook krijgen (V. Dale); op rös, hoed, pokkel, vel, nek, pens geven (Molema, 238 a; 331 b; 278 b); op zijn muts, op zijn lenden krijgen; iemand op de litsen, op de lappen, op zijn livrei, op zijn leverantsie geven (Molema 539 b); op zijn wammes krijgen, iemand wammesen, wammes krijgen (V.d. Water, 149); iemand op zijn gezicht geven; iemand wat op zijn liere, zijn vel, zijn balg geven (De Bo, 631); iemand op ze' cadaver (Antw. Idiot. 319), op zijn doel, zijn cibern(e) (Kl. Brab.) geven. In de 17de eeuw: iemand op zijn vleesch boenen (Paff. bl. 13, vs. 19); iemand op zijn ley geven (Gew. Weeuw. III, 30). Zie nog Ndl. Wdb. VI, 1212; Volkskunde XII, 101; De Cock1, 145; 157; en vgl. het hd. einem aufs Leder kommen, bij ons iemand op het leer zitten; Tuerlinckx, 360: over zijn leer krijgen; fri. immen op 't lear of 'e hûd, 'e bealg komme; Goeree en Overflakkee: iemand den bast krauwe, de rik (rug) schure (zie N. Taalg. XI, 307).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut