Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fake - (vervalsing, verzinsel), (namaak, vervalst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fake zn. ‘vervalsing, verzinsel’, bn. ‘namaak, vervalst’
Nnl. fake (zn.) “truc-film” [1931; Kramers II], fake (bn.) ‘vervalst, als mystificatie bedoeld’ in ik weet dat 't fake is [1965; Reinsma 1975], fake (zn.) ‘mystificatie, valse informatie’ in weet je dat dat trouwens een fake is [1971; Reinsma 1975], fake ‘bedrog’ [1984; van Dale].
Ontleend aan Engels fake ‘bedrog’ [1827; OED], waarvan de verdere herkomst onzeker is. OED zoekt verband met ouder feake, feague ‘slaan’. Dit woord stamt wrsch. uit de omgangstaal van soldaten en gaat vermoedelijk terug op Duits fegen of Nederlands → vegen. Die woorden hebben ook de specifieke betekenis ‘leegroven, leegplunderen’ [1635; WNT]; zo bestaat in het Duits de uitdrukking einem den Beutel fegen ‘iemand zijn buidel leegroven’. De woorden zijn in deze betekenis vermoedelijk tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) door Europa verspreid geraakt.
BDE bestrijdt deze verklaring op grond van stilistische problemen en de niet voor de hand liggende polysemie ‘leegroven’, ‘slaan’, ‘bedriegen’, maar geeft geen alternatieve etymologie.
faken ww. ‘voorwenden, doen alsof’. Nnl. faken ‘id.’ [1984; van Dale]. Wrsch. zelfstandig in het Nederlands afgeleid van fake, misschien ook onder invloed van Engels fake ‘id.’ [1941; OED], dat is afgeleid van het zn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fake [namaak] {1965} < engels fake [bedrog, namaak], van to fake [(oppoetsen om te) vervalsen, bedriegen], ouder to feak, etymologie onzeker, wordt wel verbonden met nederlands vegen.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fake (Engels fake)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

fake [feek] 1. nep, namaak; 2. gekunsteld of overdreven aanstellerig type; dikdoener.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

fake zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = nep, namaak, na-aap, vervalsing. Ik moest dezelfde vraag vijf keer 'spontaan' beantwoorden. De laatste poging haalde de uitzending. Veel spontaniteit op tv is nep.

fake- samenst. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = nep-, namaak-, vals(e); schijn-, scherts-. Wie valt er voor het nep-enthousiasme van reclamestemmen?

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fake namaak 1965 [R75] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal