Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fajalobi - (sierheester of -boompje)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

fajalo’bi (de, -’s), 1. naam voor een aantal sierheesters en -boompjes uit Azië en Afrika (Ixora-soorten, Fajalobifamilie*): zie gele, kleine, rode, roze en witte f.* - 2. i.h.b. de rode fajalobi*, met vuurrode bloeiwijzen, afkomstig van Zuid-Celebes (Ixora macrothyrsa). De soort draagt de aardige CS. [Creools Surinaamse] naam fajalobi = vurige liefde; minder toepasselijk zijn de namen gele, rose en witte fajalobi, die men wel aan de andere soorten geeft (Ost. 200). - 3. de bloeiwijze van al deze soorten. Ze werd negen jaar. Haar stoel was versierd met faja lobi’s en de cadeautjes lagen naast haar bord (Maynard a: 22). - Etym.: S, lett. ‘vurige liefde’ (faja = vurig; lobi = liefde), een naam die alleen betr. heeft op de kleur in bet. 2. - Syn. van 1 en 2 fajalobiboom*, -struik.
— : gele fajalobi, een f.* (1) met gele bloemen (vorm van Ixora coccinea). Zie Ost. 201.
— : kleine fajalobi, een f.* (1) met rode bloemen die kleiner zijn dan die van rode f.; ook wel genoemd kleine rode f. (vorm van Ixora coccinea). Zie Ost. 201.
— : rode fajalobi, syn. van fajalobi* (2); de bloemen zijn groter dan die van kleine f.; wordt ook wel genoemd grote rode f. De bamboezuilen worden versierd met palmtakken en rode faja lobbie (Vianen 1969: 81).
— : roze fajalobi, een f.* (1) met roze bloemen (Ixora-soort). Zie Ost. 200.
— : witte fajalobi, naam voor twee soorten f.* (1), met witte bloemen, bij de ene in kortgesteelde, gedrongen bloeiwijzen, zoals bij de andere (alle Aziatische) soorten (Ixora finlaysoniana), bij de andere in langgesteelde, losse bloeiwijzen (Ixora laxiflora, uit Afrika). Zie Ost. 200.

fajalo’biboom (de, -bomen), syn. van fajalobi* (1 en 2). De fajalobibomen, rood en wit, toverde ze om tot artistieke corsages en de kottomissiestruiken*, drijfruikers in het witte schelpenzand (Ferrier 1968: 31).

Fajalo’bifamilie (de), Walstrofamilie, een familie van tweezaadlobbige planten met vergroeide steunblaadjes tussen de tegenoverstaande bladeren en een vergroeidbladige kroon (Rubiaceae). - Etym.: Genoemd naar fajalobi* (1, 2). - Opm.: Bij L&Me (264) Koffiefamilie.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut