Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fagot - (houten blaasinstrument)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fagot zn. ‘houten blaasinstrument’
Vnnl. fagot ‘muziekinstrument’ [1551; Susato], fagot ‘blaasinstrument (in een inventarislijst)’ [1567; WNT zink II], ‘muziekinstrument met zeer lage klank’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Italiaans fagot (in een opsomming van bijzondere muziekinstrumenten) [1518; Kämper 1970], fagotto ‘fagot’ [1532; Grove] en/of Latijn phagotum [1539; Galpin 1947]; later opnieuw ontleend via Duits Fagott ‘id.’ [1616; Kluge21]. De herkomst van het Italiaanse woord is onzeker. Traditioneel neemt men aan dat het identiek is met Italiaans fagotto ‘takkenbos’ [1503-05; DEDLI] < Oudfrans fagot ‘id.’ [13e eeuw; Brüch 1929] en dat de fagot zo genoemd is vanwege het uiterlijk van de meervoudig gebogen buizen. Deze identiteit is echter niet met oude Italiaanse citaten te bewijzen en bovendien komt Italiaans fagotto ‘takkenbos’ in de 16e eeuw nog slechts weinig voor (Brüch 1929); dat de fagot naar een takkenbos genoemd zou zijn, omdat de samenstellende delen van de hedendaagse fagot als een bos takken in een doos worden opgeborgen, is in ieder geval pseudo-etymologie: deze gewoonte is veel jonger dan de naam van het muziekinstrument.
Een voorloper van de fagot, in elk geval wat de naam betreft, is tussen 1515 en 1521 uitgevonden en ontwikkeld door een kanunnik uit Ferrara maar afkomstig uit Pannonië (in het huidige Servië), Afranio degli Albonesi (1480-ca. 1565). Dat instrument werd onder de Latijnse benaming phagotum voor het eerst beschreven, met tekeningen, door zijn neef Theseo Ambrogio in 1539. Ambrogio suggereerde dat het woord phagotum afgeleid was van Grieks pephagota, verl.deelw. van phageĩn ‘eten’ (omdat de blaasbalg van het instrument als het ware de adem opat en deze bij bespeling weer als muzikale geluiden kon laten horen) en van Latijn fāgus ‘beuk’. Als phagotum als naam voor het nieuwe instrument een zelfbedacht woord is, en als Ambrogio zijn oom persoonlijk heeft gekend, is het mogelijk dat Afranio deze pseudo-etymologie gebruikte bij de benaming van zijn instrument.
De etymologische gelijkstelling met fagot ‘takkenbos’ verschijnt pas een eeuw later, bij de Franse musicoloog Mersenne in 1636. De herkomst van dat Franse woord is omstreden. Als mogelijke oorsprong worden genoemd: a) (Gamillscheg; Brüch 1929) Grieks phákelos ‘bundel’ > vulgair Latijn *facellus > (door wisseling van verkleiningsachtervoegsel) *facottus > Oudprovençaals fagot [13e eeuw; Brüch 1929]; b) (Guiraud) Latijn fāgus ‘beuk’, met een verondersteld bn. *fāgicus ‘van beukenhout’, waaruit in de Romaanse talen *fagicottu zou zijn ontstaan; c) een Germaans woord, met als enige aanknopingspunt Oudnoors fagg ‘stapel, bundel’.
Van de phagotum van Afranio zijn nooit exemplaren teruggevonden, slechts de tekeningen van Ambrogio. Of juist dit instrument bedoeld wordt, wanneer in de 15e en 16e eeuw wordt gesproken van fagot, is niet zeker. Nederlandse vindplaatsen van dit woord in het WNT-corpus zijn er alleen tot in de 17e eeuw en daarna pas weer vanaf 1840 (WNT trompet). In de tussentijd werd een instrument ontwikkeld dat in het Italiaans bassone [17e eeuw; TLF] (een afleiding met vergrotingsachtervoegsel van het woord voor → bas; hieruit Frans basson [1613; Rey], Engels bassoon [1727-51; OED]) werd genoemd en van oudsher een aantal van de principes van de phagotum had overgenomen. Dit instrument is de rechtstreekse voorloper van de moderne fagot en het woord basson werd ook in het Nederlands de gebruikelijke benaming [1656; WNT trio]. De hernieuwde invoer in het Nederlands van fagot in de 19e eeuw wijst op ontlening aan het Duits, zoals dat in die periode ook voor diverse andere woorden uit de muziekterminologie geldt, zie bijv.hobo.
Lit.: F.W. Galpin (1947), ‘The Romance of the Phagotum’, in: Proceedings of the Musical Association; J. Brüch (1929), ‘Bemerkungen zum französischen Etymologischen Wörterbuch E. Gamillschegs’, s.v. Fagot, in: Zeitschrift für französiche Sprache 52, 393-483, hier 408-411; T. Susato (1551), Het derde musyck boexken ... Antwerpen; D. Kämper (1970), Studien zur instrumentalen Ensemblemusik des 16. Jahrhunderts in Italien (Analecta Musicologica 10), Köln

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fagot [blaasinstrument] {1599} < italiaans fagotto, hetzelfde woord als fagotto [takkenbos], omdat de fagot lijkt op een takkenbos.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fagot znw. m., sedert Kiliaen, mnl. fagoot ‘takkenbos’ < fra. fagot, waarsch. een provençaals woord, maar van onbekende herkomst. — Het houten muziekinstrument, in 1539 door Afranio in Pavia uitgevonden, kreeg deze naam naar het houten mondstuk, dat er oorspronkelijk als een bundel uitzag.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fagot znw., sedert Kil. Uit it. fagotto “fagot” = fr. fagot “takkebos” (mnl. fago(o)t “id.”), ofr. ook “fagot” (nu basson). Van lat. oorsprong (fâgus, fax?).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

fagot. De it. fr. woorden zijn bezwaarlijk uit het Lat. te verklaren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

fagot s.nw.
Blaasinstrument met 'n dubbele rietmondstuk (tenoor of bas), bestaande uit 'n lang, koniese houtpyp wat met 'n dun metaalbuis aan die mondstuk verbind is.
Uit Ndl. fagot (1599).
Ndl. fagot uit Fr. fagot uit It. fagotto 'bondel, fagot' uit Middeleeuse Latyn fagottus 'takbos' uit Klassieke Latyn fagus 'beuk'.
Hierdie musiekinstrument, wat in 1539 deur Afranio in Pavia ontwerp is, word so genoem omdat die lang houtpyp uit aanmekaargelaste dele bestaan en aan 'n bondel pype herinner.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fagot (Italiaans fagotto)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fagot blaasinstrument 1599 [Kil.] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut