Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

faculteit - (hoofdafdeling van een universiteit of hogeschool; bepaalde wiskundige functie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

faculteit zn. ‘hoofdafdeling van een universiteit of hogeschool; bepaalde wiskundige functie’
Vnnl. faculteit ‘macht, vermogen’, bijv. in vander faculteijt ende rijckdomme ‘over macht en rijkdom’ [1510; WNT], ‘tak van wetenschap’ in boecken, soe in den geestelycken als weerlicken rechten en andere faculteyten ‘boeken over het geestelijke en wereldlijke recht en over andere wetenschappen’ [1566; WNT], de kracht ende faculteyt daer mede wy willen ‘de kracht en het geestelijk vermogen waarmee wij willen’ [1569; WNT], ‘afdeling van een universiteit’ in oock die vander faculteyt inder Godtheyt ende inde Rechten der Vniuersiteyt van Loeuven ‘ook die van de faculteit der Godgeleerdheid en der Rechten van de universiteit van Leuven’ [1577; Eeuwig Edict]; nnl. faculteiten (mv.) ‘geestelijke vermogens’ [1950; van Dale], faculteit “produkt van een rij natuurlijke getallen van 1 tot en met p” [1935; Winkler Prins].
Ontleend aan Frans faculté < Latijn facultās (genitief facultātis) ‘kracht, bevoegdheid, vermogen’, een afleiding van het bn. facul ‘gemakkelijk’, een archaïsche onzijdige vorm (naast jonger facile) van het bn. facilis, afleiding van het werkwoord facere ‘doen, maken’, verwant met → doen, en zie ook → feit.
Franse woorden op -té worden in het Nederlands meestal met de uitgang -teit gerealiseerd op grond van analogie. Voor de oudste ontleningen (waar faculteit toe behoort) geldt het analogieargument nog niet en moet ontlening via een Noord-Frans dialect (o.a. Oost-Picardisch, Waals, Lotharings) worden aangenomen, waar Latijn -tātem met diftong en -t wordt gerealiseerd.
De universitaire betekenis stamt uit het middeleeuws Latijn, waarin bij de universiteiten werd gesproken van collegium facultatis als aanduiding voor docenten en studenten binnen een vakgebied. Achtergrond is hierbij dat middeleeuws Latijn facultas ‘vermogen’ ook de bekwaamheid in een bepaald vakgebied ging aanduiden.
De betekenis ‘geestelijk vermogen’, tegenwoordig meestal in het meervoud faculteiten ‘geestvermogens’, bestaat al sinds de 16e eeuw, als specifiekere toepassing van algemeen ‘vermogen, kracht’. Het WNT noemt deze betekenis ongewoon (1918), maar de woordenboeken nemen haar vanaf 1950 weer op; waarschijnlijk is hier sprake van invloed van het Engels, waar deze betekenis ook sedert de 16e eeuw bestaat en algemeen is.
De wiskundige functie werd eind 18e eeuw faculté genoemd door de Franse wiskundige Christian Kramp (1760-1826); hij introduceerde ook de notatie met het uitroepteken, bijv. 4! staat voor 1 x 2 x 3 x 4. De naamgeving zal wrsch. zijn ingegeven door de figuurlijke ‘kracht’ van deze functie, die bij oplopend argument algauw zeer grote getalwaarden geeft. Hiervan getuigt bijv. ook de Poolse benaming van deze functie: silnia ‘faculteit’ bij het bn. silny ‘krachtig’. Eerder had de Franse wiskundige L.F.A. Arbogast (1759-1803) echter al de naam factorielle geïntroduceerd, die in het Frans de standaardnaam is geworden, evenals in het Engels (factorial [1837; OED]).
Lit.: Eeuwig edict: z.a. (1577), Eeuwich edict ende gebodt opt accord gedaen, tusschen..., Antwerpen, A3v

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

faculteit [vermogen, hoofdafdeling van universiteit] {1494 in de betekenis ‘vermogen’; als ‘korps van hoogleraren’ 1629} < frans faculté [vermogen, universitaire afdeling] < latijn facultatem, 4e nv. van facultas [mogelijkheid, gelegenheid, aanleg], van oudlatijn facul, nevenvorm van facile bijw. van facilis [gemakkelijk] (vgl. faciel).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

faculteit znw. v., laat-mnl. faculteit v. ‘vermogen’ < fra. faculté < lat. facultas. De bet. ‘deel ener universiteit’ is eerst nnl.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† faculteit znw., laat-mnl. faculteit v. ‘vermogen’. De academische bet. eerst nnl. Uit fr. faculté < lat. facultas. Ook elders ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

fakulteit s.nw.
Hoofafdeling van 'n universiteit, met die dosente en studente daarin.
Die vorm uit Ndl. faculteit (al Mnl.), maar die bet. uit Eng. faculty (1184). Die bet. van Mnl. faculteit is 'vermoë', en die bet. van Ndl. faculteit is 'universiteitsafdeling', wat uit 1577 dateer. Die universiteitswese in S.A. het eers in die laat 19de eeu op die Britse model ontwikkel, en daarom is dit meer wsk. dat die bet. aan Eng. ontleen is, hoewel die vorm Ndl. is.
Ndl. faculteit en Eng. faculty uit Fr. faculté 'vermoë, universiteitsafdeling' uit Latyn facultatem, 'n afleiding van facultas 'vermoë'.

Thematische woordenboeken

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Faculteit (< Lat. facultas = vermogen om iets te doen). Math.gebruikt ter aanduiding van n! = 1∙2∙3∙∙∙∙∙∙∙∙∙∙n. De term werd in 1791 door Kramp (1760–1826) ingevoerd naar analogie van potentia = macht, vermogen. Dit laatste beduidt een product van onderling gelijke factoren; faculteit werd nu daarnaast gebruikt voor een product van factoren, die telkens met een zelfde bedrag toenemen, dus i.h.a. voor m(m + a) (m + 2a) . . . [m + (n-1)a]. Wat thans n! heet is hiervan een bijzonder geval (m = 1; a = 1).

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Faculteit (Lat. facultas = geschiktheid, bekwaamheid, vermogen om iets te doen). Tegenwoordig noemt men (de vijf) faculteiten de vakken van onderwijs aan de Hoogeschool gegeven, nl.: 1°. godgeleerdheid, 2°. geneeskunde, 3°. rechtsgeleerdheid, 4°. wis- en natuurkunde, en 5°. letteren en wijsbegeerte. Elke faculteit heeft haar eigen kleur; vandaar dat de Universiteitsvlag vijf banen telt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

faculteit ‘hoofdafdeling van universiteit’ -> Indonesisch fakultas ‘hoofdafdeling van universiteit’; Madoerees fakultas ‘hoofdafdeling van universiteit’; Menadonees fakultas ‘hoofdafdeling van universiteit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

faculteit hoofdafdeling van universiteit 1710 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut