Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

facie - (gezicht, tronie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

facie zn. ‘gezicht, tronie’
Mnl. al sijn faci was verwandelt ‘zijn hele gelaat was veranderd’ [1440-50; MNW-R]; vnnl. na sijn facxie lijkt ... ‘zoals van zijn gezicht valt af te lezen ... ’ [1612; WNT], pejoratief pas vanaf de 17e eeuw (WNT).
Ontleend aan Laatlatijn facies ‘gelaat’, eerder al (klassiek Latijn) faciēs ‘gedaante, vorm, gezicht’, en afgeleid van het werkwoord facere ‘maken’, verwant met → doen, zie ook → feit.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

facie [tronie] {faci(e) [gezicht, gelaat (nog niet pejoratief)] 1265-1270} < frans face < latijn facies (vgl. façade).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

facie znw. o. v., mnl. facie, faci v. ‘gelaat’ (nog niet in platte of familiare zin), al dan niet over ofra. facie < lat. facies ‘gelaat’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

facie znw., gew. o. Mnl. facie, faci v. (o.?) was nog niet een plat of familiaar woord zooals nu. Uit ofr. facie (face) of direct uit lat. faciês “gelaat”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

facie o., Mnl. id. uit Ofra. facie (nu face), van Lat. faciem (-es) = aangezicht, dat wellicht met fatsoen (z.d.w.) bij facere.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

facie verouderd, (zn.) gezicht; < Frans face.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

fasie: (gew. skerts.) “bakkies, gesig”; Ndl. facie, verb. m. Fr. (wu. ook Eng.) face, uit Ll. facia uit Lat. facies, “voorkoms; gesig”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

facie (Frans face)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

facie gezicht (tegenwoordig minachtend) 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut