Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ezel - (eenhoevig huisdier (Equus asinus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ezel zn. ‘eenhoevig huisdier (Equus asinus)’
Mnl. esel ‘ezel’ [1240; Bern.], ezel ‘schildersezel’ [1599; Kil.].
Zeer oude ontlening aan Latijn asinus ‘id.’ (met overgang -n- > -l- zoals in → kummel naast → komijn), of aan het gelijkbetekende verkleinwoord Latijn asellus.
Os. esil; ohd. esil (nhd. Esel); oe. esol (ne. easel ‘schildersezel’ < Nederlands); got. asilus; < pgm. *asiluz. Daarnaast on. asni (nzw. åsna) < Oudfrans asne; oe. assa (ne. ass) < Oudkeltisch *as(s)in.
Latijn asinus gaat evenals Grieks ónos (waaruit → onager) wrsch. terug op een Klein-Aziatische taal. Oudkerkslavisch osil en Litouws osilas zijn aan pgm. *asiluz ontleend. Misschien zijn verwant Armeens ēš ‘ezel’ en Soemerisch anšu ‘ezel’.
De ezel wordt gebruikt voor het dragen van pakken en vrachten; vandaar de benaming voor schildersezel, die in figuurlijke zin een schilderij draagt. Deze betekenis is overgenomen in Duits Esel en Engels easel.
ezelsoor zn. ‘omgevouwen hoek van een blad’. Nnl. ezels-oor “een vouw in een boek” [1708; Sewel NE]. Ontleend aan Duits Eselsohr [1637; Kluge], genoemd naar het afhangende oor van een ezel. Op dezelfde manier zijn samengesteld: Deens æseløre, Oudzweeds åsneöra (maar Nieuwzweeds hundöra); het Engels heeft dog's ear [1659].
Lit.: Mesotten 2000, 387-436

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ezel [paardachtige] {esel 1201-1250} < latijn asellus, verkleiningsvorm van asinus [ezel] < grieks onos, myceens o-no, soemerisch anšu, een Anatolisch leenwoord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ezel znw. m., mnl. ēsel, os. esil, ohd. esil, oe. esol, got. asilus < lat. asinus (met n > l evenals in egel, kummel) of vulg. lat. asellus. De naam is reeds zeer vroeg door de Germanen overgenomen; vandaar osl. osĭlŭ, lit. āsilas. — Evenals gr. ónos overgenomen uit een thracisch-illyrisch woord, dat zelf uit een kleinaziatische taal in het Zuiden van de Zwarte Zee stamt (vgl. arm. ēš ‘ezel’)

In de bet. ‘raam op poten, standaard’ werd het woord overgenomen in het eng. (eind 16de of 17de eeuw) en wel door de invloed van de nederl. schilderkunst (H. Marquardt GRM 30, 1942, 281).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ezel znw., mnl. ēsel m. = ohd. esil (nhd. esel), os. esil, ags. esol, got. asilus m. “ezel”. Met substitutie van -la-, -lu- voor -no- uit lat. asinus. On. asni m. is uit ofr. asne (fr. âne), ags. assa m. (eng. ass) is uit ier. asan en dit uit lat. asinus ontleend. Uit het Germ. obg. osĭlŭ, lit. ãsilas. De gr. ezelnaam ónos hangt wsch. met den lat. samen. Hoe, dat is onzeker. Waarschijnlijk komen beide woorden uit Klein-Azië. Zij zullen wel (indirect) op arm. išan teruggaan, een collectieve afleiding van êš “ezel”. Of dit woord idg. is, is moeilijk uit te maken. Evenals zijn benaming is de ezel zelf ook van uit Klein-Azië in Europa geïmporteerd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ezel. Eng. easel ‘schildersezel’ is aan het Ndl. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ezel m., Mnl. esel, Os. esil, gelijk Ohd. id. (Mhd. en Nhd. esel), Ags. esol, Go. asilus, en voorts It. asino, Sp. asno, Ofra. asne (Nfra. âne), uit Lat. asinus (vergel. ketel van catinus), dat met Gr. ónos (voor *osnos) berust op een primit. *asnas, dat niet uit het Hebr. kan komen, maar waarschijnlijk op Arm. êš (wellicht verwant met Skr. açvas, Lat. equus enz. = paard) teruggaat. Het Ags. assa (Eng. ass) en On. asni (Zw. åsna, De. asen) komen ook van Lat. asinus, maar het 1e over het Ier. asan, het 2e over het Ofra. asne. Osl. osilŭ, Lit. ãsilas uit Germ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

eselsbrug s.nw.
Hulpmiddel om iets maklik te leer of te onthou.
Uit Ndl. ezelsbrug 'noodshulp vir 'n onwetende persoon' uit (logika) 'hulpmiddel om die middelterm van 'n sillogisme te vind' (1682).
Ndl. ezelsbrug uit ezel en brug, as leenvertaling van Latyn pons asinorum, met pons in die bet. 'brug' en asinorum uit asinus 'esel'.
D. Eselsbrücke.
Vgl. Eng. ass's bridge.

esel s.nw.
1. Donkie. 2. Muil. 3. Dom persoon. 4. Enigeen van verskillende voorwerpe of toestelle wat iets moet dra, bv. 'n skildery, skryfbord, of papiervorm.
Uit Ndl. ezel. Eerste optekening in vroeë Afr. in 1744 (Resolusies van die Politieke Raad, C.122). In Afr. word esel in bet. 1 veral in formeler Bybelkonteks gebruik; andersins word esel met donkie vervang. In bet. 2 word esel tans baie selde in die plek van muil gebruik, hoewel die eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) esel 'muilezel' juis op sodanige vroeëre bet. dui. In plaas van esel in bet. 3 word tans eerder domkop gebruik. Bet. 4 geld steeds.
Vgl. Eng. easel.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

e’zel (de, -s), (ook:) muilezel. - Zie ook: steenezel*, mule*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

esel: “donkie” (Equus asinus, fam. Equidae) soms verwar m. muil (Equus mulus, fam. Equidae); Ndl. ezel (Mnl. esel), Hd. esel, Eng. (wsk. via Ie.) ass, uit Ll. asellus uit Lat. asinus, hou wsk. verb. m. Gr. onos, verw. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

ezel: 1) dom, onhandig persoon. Bij Bredero lezen we: ‘Fy gy rekel, gy uyl. … Gy buffel, gy esel, gy stier, gy bock, gy bul, gy var, Gy Kalf, gy kapoen, gy Olyphant als gy bent, Gy kinckel.’

Bij de oude Romeinen werd het reeds als scheldwoord gebruikt. De langorige verwant van het paard wordt beschouwd als koppig en dom. De ezel heeft de Nederlandse taal verrijkt met vele spreekwoorden en gezegdes, meestal over de domheid en koppigheid van het dier, en dat terwijl het net grappige en intelligente dieren zijn! Zie ook gestreepte* ezel.

‘Ik ben de domste ezel, die er leeft,’ gromde Bouke bij zich zelven, zoodra hij zich alleen bevond: ‘mij zoo te laten beknippen! ik ben immers waard, dat men mij een’ kogel door den kop jaagt! (Jacob van Lennep, De pleegzoon, 1833)
Ja, kan ik het helpen? Was dan niet zoo’n driedubbel-overgehaalde ezel geweest. (Cissy van Marxveldt, Een zomerzotheid, 1927)

2) (soldatentaal, verouderd) infanterist. Ontleend aan de afdruk van het ijzer aan de schoenhakken die gelijkenis vertoonden met de hoefijzers van ezels. Vgl. bokkenpoot*.

Ezel: infanterist. Anderen zien in die hakijzer-indrukken gelijkenis met ezels-hoefijzers: vandaar de naam. (Jac. van Ginneken, Handboek der Nederlandsche taal. Deel II. De sociologische structuur onzer taal II, 1914)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ezel (Latijn asinus); (een -- der ezels)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ezel ‘paardachtige’ -> Deens æsel ‘paardachtige’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors esel ‘paardachtige’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels esel ‘paardachtige’; Negerhollands esel ‘paardachtige’.

ezel ‘schildersezel’ -> Engels easel ‘schildersezel’; Duits (Maler-)Esel ‘schraag waarop een kunstschilder zijn werkstuk zet’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

ezel. Het woord ezel is omstreeks het begin van de jaartelling, toen de Romeinen de heersers waren in het zuidelijke deel van de Lage Landen, geleend uit het Latijn. In het Nederlands heeft het woord ezel een nieuwe, overdrachtelijke betekenis gekregen, namelijk die van 'voorwerp waarop een kunstschilder zijn werkstuk zet'. De overeenkomst tussen het dier en de schildersezel bestaat erin dat beide een last dragen. De betekenis 'schildersezel' is in het Nederlands bekend sinds 1599: Cornelis Kiliaan vermeldt in zijn etymologische woordenboek van het Nederlands esel/ knaep der schilders.

Dankzij de toonaangevende zestiende- en zeventiende-eeuwse Nederlandse schilders nam het Engels een aantal Nederlandse schilderstermen over, waaronder easel. Dit woord wordt voor het eerst in 1634 genoemd.

In het Russisch is de naam van een ánder voorwerp dat is vernoemd naar de ezel geleend, namelijk èzel'goft, teruggaand op Nederlands ezelshoofd, blok op de mast van een schip, waarop de steng steunt. Het woord is in de tijd van Peter de Grote geleend. In het verleden noemde men de ezelshoofden van de ondermasten, waardoor de stengen rusten, in het Nederlands stengezelshoofden, in het Russisch geleend als sten'èzel'gofty. Daarbij onderscheidde men naar de stengen: voorstengezelshoofd (Russisch forsten'èzel'goft), grootstengezelshoofd (Russisch grotsten'èzel'goft) en kruisstengezelshoofd (Russisch krjujssten'èzel'goft). Op dezelfde manier heetten de ezelshoofden van de stengen die de bramstengen droegen, bramezelshoofd (Russisch bramèzel'goft); die van de bramstengen droegen de bovenbramstengen en zij heetten bovenbramezelshoofd (Russisch bombramèzel'goft). Met het verdwijnen van de zeilvaart zijn deze woorden zowel uit het Nederlands als uit het Russisch verdwenen, behalve onder specialisten. Ezelshoofd is ook geleend in het Noors en Zweeds, waarbij het tweede deel van het woord is vertaald: in het Noors spreekt men van eselhode en in het Zweeds van eselhuvud.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ezel paardachtige 1240 [Bern.] <Latijn

ezel schildersezel 1654 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

560. Een ezel stoot zich niet tweemaal aan denzelfden steen,

d.w.z. iemand, die eens iets nadeeligs heeft ondervonden of eene fout heeft begaan, zorgt wel, dat dit geen tweede maal geschiedt. Te recht merkt Tuinman I, 370 op: Dat hebben wij van de Latynen. Asinus ad lapidem non bis offendit eundem. Zy zijn dan dwaazer dan ezels, die zich niet wachten voor dat geene, waar by zy zich eens qualyk bevonden hebben. Vgl. ook Cicero de Orat. 3, 41, 166: Neque me patiar iterum ad unum scopulum ut olim classem Achivam offendere; in het Grieksch: δις προς τον αυτον αισχρον προσκρουειν λιθον. Zie Otto, 186 en vgl. Vondel's Leeuwendalers, vs. 767:

Een ezel stoot maer eens zich aen den zelven steen.
De mensch wel zevenmael, en denckt niet om zijn been.

Harrebomée I, 188 a; III, 180 b; Wander I, 862: ein Esel stösst sich nicht zweimal an denselben Stein.

1399. Daar helpt geen lievemoeder(en) aan,

ook: daar helpt geen moedertje lief aan (o.a. Kmz. 263), d.w.z. daar helpt niets aan, geen gevlei noch gesmeek, niets; eig. geen lieve moeder zeggen; mnl. daer ne helpt geen helpe roepen toe. De zegswijze wordt aangetroffen in de Prov. Comm. 301: Daer en es gheen liefmoederen aen, non dic care pater quia non parit neque mater. Zoo ook bij De Brune, 461: t' En baet by hem gheen lieve-moertjen; Sart. I, 5, 30; 't baet geen lieff moeren; II, 8, 14: het en baet lieve Moeder noch lieve Vader; zie ook II, 8, 40; Brederoo, Sp. Brab. 321; Jan v. Gysen I, 129 en Harreb. II, 90 b; III, 297 b; O.K. 183: Er was geen lieve vaderen of moederen aan; Jord. 240; Nkr. IV, 22 Mei p. 2; VI, 28 Sept. p. 4; Ndl. Wdb. VIII, 2144; enz. Vgl. voor de vorming mnl. enen boeven, iemand boef noemen; enen hoeren, iemand voor hoer uitscheldenTijdschrift XIX, 133 en vgl. Besteedster, 18: Of ze verkent (voor varken uitscheldt) of hoert, wisje wasje, dat brand geen gaaten in de kleeren.; hennen, hannen, Hannes, knul zeggen; het 17de-eeuwsche parlesanten (sp. par los santos; Harreb. III, 54 b); sakrementen (Hooft, Ged. II, 397; kassen en kruisen, bij kas en kruis zweren (no. 1282); iemand krukken (voor kruk uitschelden; Rusting, 216); verder foeteren (fr. foutre), sakkeren (fr. sacre); kozijnen (Waasch Idiot. 368); neven (De Bo, 740); nichten (De Bo, 740, Ndl. Wdb. IX, 1931); moederen (Antw. Idiot. 1902; De Bo, 703); pasteren (De Bo, 830); ezelen, voor ezel uitschelden (De Bo, 313); mevrouwen (mevrouw zeggen); meneeren (mijnheer zeggen); lazersteenen (Noord en Zuid XXI, 95); maren, d.i. maar zeggen (o.a. bij Falkl. IV, 132; VII, 210; Nkr. VII, 26 Juli p. 2; Rutten, 139); Taalgids, VIII, 33 vlgg.; 236; Zwolsche Herdr. 12-13, bl. 90; het mhd. schelken, iemand schalk noemen; hd. dutzen, ‘du’ tegen iemand zeggen; lumpen, voor lump uitmaken (no. 1422); fr. tutoyer, iemand met ‘tu’ en ‘toi’ aanspreken; enz.(Aanv.) Ook er helpt geen lieve vadertje of moedertje aan (zie Handelsblad 16 Febr. (O), p. 7 k. 2.

1733. Hij springt van den os op den ezel,

d.w.z. hij springt van den hak op den tak, van het eene onderwerp op het andere, van den tak op den boom. In de 16de eeuw bij Goedthals, 101: Van den osse op den ezel springhen, saillir de cocq a l'asne; Campen, 19: hy springt vanden Osse opten Ezel; Sart. I, 7, 95; vanden Os op den Ezel; Idinau, 30:

 De sulcke van den os op den esel vallen,
 Af-gaende van goedt, van eere, van state.
 T'is beter toe-sien, dan soo te mallen,
 Al wat bestellende ter sielen bate,
 Want als de doodt komt, t' wert veel te late.

Zie verder Brederoo I, 276, vs. 204: vanden os opten esel vallen; Huygens IV, 36; Pers, 342 a; Spect. X, 82; XII, 226; Adagia, 64: Vanden Os op den Ezel, de ramo ad ramum; enz. In de 16de eeuw beteekende de uitdr. zoowel achteruitgaan (o.a. bij Marnix, Byenc. 161 v; Van den Beelden, p. 13; Van Vloten, Geschiedzangen I, 336) als van den hak op den tak springen. De eerste beteekenis ontleende ze aan het lat. ab equis ad asinos transcendere, delabi, eene vertaling van het Grieksche αφ ιππων επ ονους dat bij Procopius, een Byzantijnsch schrijver uit de 6de eeuw na Chr., wordt aangetroffen, en dat te vergelijken is met het hd. vom Pferd auf den Esel kommen. De tweede beteekenis werd ontleend aan de ofr. uitdr, saulter, saillir du coq à l'asneBij Lucas D'Heere, Boomg. 89 is vanden Hane opden Esel, de titel van een soortgelijk onsamenhangend allegaartje als in R. Visscher's Brabb. 183: van den Os op den Esel; zie het Ndl. Wdb. V, 1389 en N.v.d. Laan, Uit Roemer Visscher's Brabbeling II. bl. 71; 99., wispelturig zijn, in welken zin Sartorius haar reeds vermeldt (apud nostrates tamen inconstantiam potissimum significat). Zie verder Taal en Letteren IV, 29-33; Ons Volksleven V, 145; Villiers, 93; Waasch Idiot. 620 a; Antw. Idiot. 1947 en vgl. de eng. uitdr. a cock-and-bull story (= fr. coq-à-l'âne). Opmerking verdient, dat in sommige deelen van Zuid-Nederland gezegd wordt iemand van den os naar den ezel jagen, schikken, in den zin van iemand die iets vraagt elders wijzen, hot en haar doen loopen, van het kastje naar den muur; zie Rutten, 164 a; Tuerlinckx, 466 en vgl. hiermede van den os op den ezel loopen in Zondagsbl. v. Het Volk, 1905, bl. 47: ‘Barend wist hoe z'n zuster van de os op de ezel geloopen had om 'n paar honderd pop te leenen’; in het fri.: immen fen 'e bok op 't ezel stjûre (zie no. 137). (Aanv.) Vgl. keper en haanbalk slaan, van den os op den ezel springen. (Ndl. Wdb. vu, 2218).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal