Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

exuberant - (weelderig, overvloedig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

exuberant bn. ‘weelderig, overvloedig’
Nnl. exuberant ‘overvloedig, onnodig’ [1824; Weiland].
Ontleend aan Frans exubérant ‘weelderig, uitbundig’ [15e eeuw] < Latijn exūberāns, teg.deelw. van exūberāre ‘in overvloed aanwezig zijn’, gevormd uit → ex-, dat hier een versterkende functie heeft, en het werkwoord ūberāre ‘vrucht dragen, vruchtbaar zijn/maken’, een afleiding van het bn. ūber ‘vruchtbaar, rijk’, dat wrsch. verwant is met → uier.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

exuberant [overdadig] {1824} < frans exubérant [idem] < latijn exuberantem, 4e nv. van exuberans, teg. deelw. van exuberare [in overvloed te voorschijn komen, in overvloed aanwezig zijn], van uber [vruchtbaar, overvloedig], van uber [uier, moederborst, vruchtbaarheid].

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

exuberant overdadig 1824 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut