Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

exit - (hij gaat af (van toneel))

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

exit [hij gaat af (van toneel), uitgang] {1847 als toneelterm; als ‘uitgang’ 1926-1950} als toneelterm < latijn exit [idem], als ‘uitgang’ via engels exit < latijn exitus [uitgang, afloop] (vgl. exeunt).

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

exit zn. Ontleend aan het Engels.
= uitgang, uit.

exit ... uitdr. Ontleend aan het Engels.
= daar gaat ..., tabé ....

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

exit hij gaat af (van toneel) 1847 [KKU] <Latijn

exit uitgang 1950 [GVD] <Engels

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

exit ‘hij treedt af (van toneel)’ (Latijn exit)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal