Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

excuus - (verontschuldiging)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

excuseren ww. ‘verontschuldigen’
Mnl. excuseren ‘id.’ [1370-78; MNHWS].
Al dan niet via Frans excuser ‘id.’ [1190] ontleend aan Latijn excūsāre ‘verontschuldigen, rechtvaardigen’, gevormd uit → ex- ‘uit’ en het zn. causa ‘oorzaak’, zie → causaal.
excuus zn. ‘verontschuldiging, voorwendsel’. Vnnl. excuse ‘verontschuldiging’ [1535; WNT twist I], excuus [1752; WNT]. Ontleend aan Frans excuse ‘verontschuldiging’ [eind 14e eeuw], afleiding van het werkwoord excuser.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

excuus [verontschuldiging] {excuse 1546} < frans excuse, van excuser < latijn excusare (vgl. excuseren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

excuis (zn.) excuus; Nuinederlands excuse <1535> < Frans excuse.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1ekskuus s.nw. Ook askies en askuus.
Verontskuldiging of verskoning.
Uit Ndl. excuus, ekskuus (Mnl. excuse) 'verontskuldiging'. Eerste optekeninge in Afr. by Mansvelt (1884) in die vorm excuus en by Du Toit (1908) in die vorme exkuus en ekskuus.

2ekskuus tw. Ook askies en askuus.
Uitroep waarmee iemand sy spyt oor iets uitspreek.
Verkorting van die frase ek vra om ekskuus. Eerste optekening in vroeë Afr. by Trichardt (1836 - 1838) in die vorm exschues.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

excuus’ tw., pardon, neem me niet kwalijk. Ekskuus meneer, ik wou ook kopen... (Cairo 1978b: 113). - Etym.: In deze vorm in AN zelden gehoord; wel ‘excuseert U mij’. Vgl. ook E ‘excuse me’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ekskuus: – (plat) askuus/askies – , “pardon, verskoning”, by Trig exscheus (lRo T DLT 235); Ndl. excuus/ekskuus (sedert 17e eeu), soos Eng. excuse uit Fr. excuse, verb. m. ww. excuser uit Lat. excusare uit ex-, “uit” + cusare, verb. m. causa, “oorsaak; verontskuldiging”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

excuus ‘verontschuldiging’ -> Fries ekskús ‘verontschuldiging’; Petjoh excuus ‘genade, mededogen’; Negerhollands exkuse, excuse ‘uitvlucht, verontschuldiging’; Papiaments eksküs ‘verontschuldiging’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

excuus verontschuldiging 1546 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut