Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

exces - (buitensporigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

exces zn. ‘buitensporigheid’
Mnl. exces ‘overtreding van de regels, zonde’ [1265-70; CG II, Lut.K], exces van sinne ‘zinsverrukking, zinsbegoocheling’ [ca. 1330; MNW], ‘buitensporigheid’ [1499; MNHWS]; vnnl. excess ‘overdaad’ [1577; Werve]; nnl. exces ‘buitensporigheid’ [1805; Meijer], “uitspatting, moedwil; ook gewelddadigheid” [1824; Weiland].
Al of niet via Frans excès ‘onmatigheid’ [eind 12e eeuw; Rey] ontleend aan Latijn excessus ‘vertrek, dood, uitweiding’, nomen actionis bij excēdere ‘weggaan, afwijken’, gevormd uit → ex- ‘uit-’ en cēdere ‘gaan’, zie → antecedent.
Van Duits Exzess [16e eeuw] wordt rechtstreekse ontlening aan het Latijn aangenomen; dat zou met mnl. exces ook het geval kunnen zijn. In het christelijk Latijn werd excessus gebruikt in de betekenis ‘fout(en), zonde(n)’. Het woord kan uit het Latijn in de spreektaal van kerkelijke kringen terecht zijn gekomen. Ons exces wordt voor het eerst in deze betekenis aangetroffen in een Middelnederlandse vertaling van de Latijnse biografie van Sinte Lutgard; het staat dan in rijmpostie; overname uit de Latijnse bron kan dus ook door rijmdwang zijn ingegeven. Invloed van het Frans is echter zeer wel mogelijk, daar de 13e-eeuwse vertaler Willem van Affligem in Parijs studeerde en later prior was te Waver in het Franstalig Brabant. Engels excess [14e eeuw] wordt ook als ontlening aan het Frans gezien. De tweede attestatie staat echter in een handschrift uit ca. 1330 van Jacob van Maerlant, Leven van St. Franciscus [MNW]; volgens Van Oostrom 1996 is dit werk ca. 1275 geschreven, dus in dezelfde tijd als de biografie van Sinte Lutgard en verder weg van de taalgrens. Dus mogelijk toch uit het Latijn.
Lit.: F.P. van Oostrom (1996) Maerlants wereld, Amsterdam

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

exces [buitensporigheid] {1265-1270} < frans excès < latijn excessus [het weggaan, uitweiding, buitensporigheid], van excedere [weggaan, afwijken] (vgl. excedent).

Thematische woordenboeken

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Exces (< Lat. excessus = overschot; < excedere = overschrijden). Bedrag, waarmee iets overtroffen wordt, b.v. sferisch exces van een boldriehoek = bedrag, waarmee de som der hoeken 180° overtreft.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

exces ‘buitensporigheid’ -> Indonesisch éksés ‘buitensporigheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

exces buitensporigheid 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut