Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

evangelie - (blijde boodschap, de leer van Jezus Christus; overtuiging, boodschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

evangelie zn. ‘blijde boodschap, de leer van Jezus Christus; overtuiging, boodschap’
Mnl. ewangelie [1240; Bern.], dewangelie ‘het evangelie’ [1285; CG II, Rijmb.]; nnl. evangelie ‘overtuiging, leer van bepaalde persoon’ [1986; Dalen-Oskam].
Ontleend aan Latijn euangelium ‘blijde boodschap’ < Grieks euangélion ‘goede boodschap’, oorspr. een afleiding van het bn. en zn. euángelos ‘een goede boodschap brengend, goede verkondiging’, gevormd uit het voorvoegsel eú- ‘goed’ en ángelos ‘bode, boodschap’, zie → engel.
Het Griekse woord is een leenvertaling van het Hebreeuws voor ‘goede boodschap, blijde tijding’ zoals die in het Oude Testament voorkomt, bijv. in 2 Sam 4:10 en 18:20. In het Nieuwe Testament betekent evangelie de goede tijding van de Messiaanse Verlossing; ook de leer van Christus en zijn apostelen wordt erdoor aangeduid. De betekenis van een geschreven verhaal over leven en leer van Christus krijgt het woord eerst bij kerkelijke schrijvers in de tweede eeuw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

evangelie [de vier boeken van het Nieuwe Testament] {1201-1250} < latijn euangelium [idem] < grieks euaggelion [loon aan een geluksbode, goede boodschap, evangelie], van eu [goed] + aggellein [een boodschap overbrengen] (vgl. engel).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

engel

Engelen zijn hemelse wezens die optreden als dienaars Gods. De bijbel kent ook afvallige engelen die de duivel dienen. Het woord engel gaat terug op het Griekse aggelos: bode. Dit werd in het Latijn angelus en in het Gotisch aggilus. Het woord kwam met andere christelijke woorden door de Ariaanse missie langs het Donaugebied naar het huidige Duitsland. Dat moet al in de 5e eeuw na Christus zijn geweest.

Het woord engel gaat ook schuil in het woord evangelie uit het Griekse eu-aggelion wat eigenlijk betekent: datgene wat een vreugdeboodschapper (eu-aggelos) met zich brengt, dus: blijde boodschap.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

evangelie znw. v., mnl. ewangelie < lat. evangelium < gr. euaggélion eig. ‘goede boodschap’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

evangelie, evangelist znww. Internationale woorden, op lat. evangelium, evangelista, gr. euangélion, euangelistḗs teruggaand. Mnl. gew. met w geschreven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

evangelie o., Mnl. ewangelie, Os. evangelium, gelijk Ohd. evangelio, uit Lat. evangelium, van Gr. euangélion (waaruit Go. aiwaggeljo) = goede tijding, gev. met bijw. van eús = goed, - en angelía = tijding, van ángelos = bode (z. engel)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

evangelie s.nw.
1. Blye boodskap, leer van Christus. 2. Geskrewe verhaal omtrent Jesus Christus, opgeteken in die eerste vier boeke van die Nuwe Testament. 3. Ontwyfelbare waarheid.
Uit Ndl. evangelie (al Mnl. in bet. 1 en 2, 17de eeu in bet. 3).
Ndl. evangelie uit Fr. évangile uit Latyn euangelium uit Grieks euaggelion 'loon aan 'n geluksbode, goeie boodskap, evangelie', met lg. uit eu 'goed' en aggellein ''n boodskap oorbring'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

evangelie (Latijn evangelium)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Evangelie, (lett.) blijde boodschap; de boodschap van Jezus' komst op aarde; bijbelboek over het leven van Jezus; (fig.) overtuiging die uitgedragen moet worden en die niet voor discussie vatbaar is.
Het evangelie van of volgens (een bepaald persoon), de onbetwistbare overtuiging of boodschap van (naam).
Evangeliseren, het evangelie verkondigen; (fig.) een bepaalde boodschap uitdragen, propageren; propaganda bedrijven.

Evangelie is al in het Middelnederlands uit het Latijn euangelium in onze taal overgenomen; hetzij als kerkelijk woord voor de desbetreffende bijbelboeken waar in de mis regelmatig uit voorgelezen werd, hetzij uit de bijbel zelf ter aanduiding van de 'blijde boodschap' van Jezus' komst op aarde (zie ook Boodschap). Een afleiding van evangelie is evangeliseren, dat ook een figuurlijke betekenis heeft, in tegenstelling tot de vele andere afleidingen en samenstellingen.
De boeken van de vier evangelisten worden gewoonlijk aangeduid als het evangelie volgens of van Lucas, Marcus enz.. Men typeert met deze uitdrukking de zendingsdrang en mogelijk monomanie van vooral politici.

Rijmbijbel (1271), v. 20926-30. Hier gaet vd doude testament. / Dat nieuve dat si v bekent. / Dat in dewangelie es bescreuen. / Salic in dietsch nv vord gheuen. (Hier eindigt het Oude Testament. Het Nieuwe, dat zij u bekend, dat in het evangelie wordt beschreven, zal ik u in het Nederlands vertellen.)
Statenvertaling (1637), Lucas 4:18. Hy heeft my gesonden om den armen het Euangelium te verkondigen, om te genesen die gebroken zijn van herten.
En het staat u vrij, meneer Mannaerts, om er anders over te denken: mijn moraal is het evangelie niet. (De Standaard, nov. 1995)
Toen verkondigde hij [R. Lubbers] wat inmiddels faam had verworven als het Evangelie van Ruud. [...] De mensen willen horen of het ja of nee is. (J. van Tijn en M. van Weezel, Inzake het kabinet-Lubbers, 1986, p.162)
Het evangelie volgens Paul Rosenmöller. (De Groene Amsterdammer, 3-3-1999, omslag.)
De vrouw staat op het punt naar huis te gaan. Wellicht om onmiddelijk gehoor te geven aan de oproep van Marijnissen om ook familie, collega's en vrienden te overtuigen van de noodzaak om te gaan stemmen. En wie gaat evangeliseren moet de goede boodschap brengen. (NRC, maart 1995)
Evangeliseren over het belang van Internet is niet meer nodig. (NRC, 5-6-1999, p. 33)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

evangelie. In een verdrag van 27 maart 1299 tussen Guid, graaf van Vlaanderen, en Jan i, graaf van Holland, wordt gezworen vp de heleghe Ewangelie ‘bij het heilig Evangelie’. Al te frequent gebruik leidt tot ijdel gebruik en dus tot een vloek of uitroep. Bij mijn weten is de formule thans verouderd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

evangelie ‘elk van de vier boeken van het Nieuwe Testament’ -> Shona vhangeri ‘elk van de vier boeken van het Nieuwe Testament’ ; Indonesisch évangéli ‘elk van de vier boeken van het Nieuwe Testament’; Javaans injil ‘Nieuwe Testament’; Negerhollands evangelium ‘elk van de vier boeken van het Nieuwe Testament’; Papiaments † ewanhelie ‘elk van de vier boeken van het Nieuwe Testament’; Sranantongo evangelie ‘elk van de vier boeken van het Nieuwe Testament’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

evangelie elk van de vier boeken van het Nieuwe Testament 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

557. Zijn woord is geen evangelie,

d.w.z. wat hij zegt, is niet altijd waar. Onder evangelie moet hier niet worden verstaan de blijde boodschap, maar ‘de onloochenbare en volkomene, van den Eenig waarachtige zelven afkomstige waarheid’, in welken zin over het Evangelie gesproken wordt in Coloss. 1, 5 waar de apostel dit ‘het woort der waerheyt’ noemt; zie Zeeman, 196. Reeds in de Reyn. 4637 lezen we: Hi can sijn loosheit cleden so wel, recht oft ewanghelien waren; in Rose, 11405: En sijn niet ewangelien al dat men segt; bij Servilius staat vermeld, bl. 96: Also waer alst heylich evangelie; zoo ook bij Sartorius I, 8, 58 en bij Campen, 49: tEn is ghien Evangelium dat ghy seght; Leuv. Bijdr. IV, 345; Warenar, vs. 334: Hout dit voor Evangely; Pers, 833 b; Huygens, Trijntje Corn. 827: Dat gaet soo seker as de Paep sen Evanjeli; Paffenr. 164; Kluchtspel III, 80: Maer 't sijn al geen Evangeliën, die s' er een mens wel op de mou knopen. Zie verder Sewel, 218; Waasch Idiot. 210 b; Teirl. 412: Al wat hie zegt en es geen evandzelie; Harreb. I, 187 a; Molema, 104 a; fri.: it (hy) is gjin evangeelje, niet vertrouwbaar; Wander I, 907-908; Dirksen II, 23: 't sünt nêt luter evangeliums wat he segt; hd. es ist nicht alles Evangelium was die Leute reden; fr. ce n'est pas parole d'Evangile; eng. it is not gospeltruth.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut