Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

evacuatie - (ontruiming)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

evacueren ww. ‘ontruimen’
Vnnl. ‘verlaten’ in evacueerden van huerlieder quade meeninghe ‘hun slechte opvatting verlieten’ [ca. 1600; WNT Supp. afdruipen], evacueren ‘verwijderen (uit het lichaam)’ [1624; WNT vervoegen].
Ontleend aan Frans évacuer ‘ledigen, ontruimen’ in verschillende betekenissen: de oudste is het medische ‘afvoeren uit het lichaam, doen braken’ [1314; Rey]; later ‘ontruimen van een woonplaats (oorspr. alleen in militaire zin)’ [15e eeuw; Rey], ‘zich terugtrekken’ [1690; Rey], nu algemener ‘lozen, ontledigen, ontruimen’ [19e eeuw; Rey]. Frans évacuer < Latijn ēvacuāre ‘leegmaken’, gevormd uit → ex- ‘uit-’ en vacuāre ‘legen’, afgeleid van vacāre ‘leeg zijn, vrij zijn’, zie → vacant. Misschien heeft het Nederlands evacueren rechtstreeks aan Latijn ēvacuāre ontleend met latere betekenisovernames uit het Frans.
Aanvankelijk kende evacueren, net als in het Frans, meer betekenistoepassingen dan nu. Naast het algemene ‘(ont)lediging’ komen ook ‘ontlasting’ [tot 1956] en ‘ontruiming’ voor. Terwijl nu vooral de burgerbevolking uit bedreigde gebieden geëvacueerd wordt, betekent evacueren in 1898 nog ‘(troepen) wegzenden; (zieke militairen) naar een plaats zenden tot herstel’ (Dale 1898). Het ruimere scala aan betekenissen blijkt ook uit verwante woorden als evacuantia (mv., medisch) ‘purgeermiddelen’ [1847; Kramers] en evacuant ‘windafleider in een orgel’ [1866; Kramers II], uit afleidingen als evacuatief ‘ledigend, afvoerend’ [1866; Kramers] en uit nu niet meer bestaande samenstellingen als evacuatie-contract ‘verdrag over ontruiming’ [1866; Kramers]. In het midden van de 20e eeuw komt in de natuurkunde de technische term evacuatie op voor ‘luchtledig maken’ [1947; Visser 1947], in deze betekenis voor het laatst opgenomen in de Grote Oosthoek-encyclopedie 1976.
evacuatie zn. ‘ontruiming’. Vnnl. evacuatie ‘ontruiming van een gebied’ [1560; WNT Aanv.], evacuatien (mv.) ‘uitdrijving (uit het lichaam)’ [1604; WNT uitr-]. Ontleend aan Frans évacuation, dat een vergelijkbare betekenisontwikkeling kent als évacuer; of rechstreeks uit Latijn ēvacuātio, een afleiding van ēvacuāre.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

evacuatie [ontruiming] {1650} < frans évacuation < latijn evacuationem, 4e nv. van evacuatio, van evacuare [zich ontdoen van, leeg maken] (vgl. evacueren).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

evacuatie ‘ontruiming’ -> Indonesisch épakuasi, évakuasi ‘ontruiming’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

evacuatie ontruiming 1560 [Aanv WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut