Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

etter - (scheldwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

etter 2 zn. ‘vervelend wezen, naarling’
Nnl. etter ‘id.’ [1914; Dale].
Vernederlandsing, onder volksetymologische invloed van het erfwoord → etter 1 ‘pus’, van het zn. être ‘vervelend wezen’, dat is overgenomen uit het Frans. Daar is être ‘persoon, schepsel’ [18e eeuw; Rey] de substantivering van het werkwoord être ‘zijn’, dat via vulgair Latijn essere is ontwikkeld uit Latijn esse ‘zijn’, zie → zijn 1.
De volksetymologische gelijkstelling met etter ‘pus’ is niet zo vreemd, omdat er meer scheldwoorden bestonden die met ziektes en ziekelijke uitscheidingen te maken hadden. Het gevolg is ook dat diverse samenstellingen met etter ‘pus’ in de spreektaal later ook als scheldwoord konden dienen, bijv. etterbak, oorspr. ‘bakje om etter in op te vangen’, etterbuil, oorspr. ‘met etter gevulde buil’, beide nu ‘naarling’ [1984; Dale NN]; en niet in de laatste plaats ook de afleiding etteren ‘zaniken, tobben’ [1960; Dale], ‘klieren, vervelend doen’ [1974; Koenen]. De vorm être ‘vervelend wezen’ komt ook zelf in de woordenboeken voor, en wel vanaf 1929 [Koenen], eerder alleen ‘wezen’ [1912; Kramers].
Lit.: Heestermans 1989

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

etter2 [scheldwoord] {1901-1925} < frans être [wezen] (zn.), van het ww. être [zijn] < latijn esse [zijn].

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

etter: naar persoon; lastig, gemeen iemand; kwal, mispunt. Verbastering van het Franse être (zijn, wezen), maar geïdentificeerd met het bestaande woord etter (pus, bij ontstekingen afgescheiden vocht). ‘Quel être’: wat voor een schepsel! Pim Fortuyn tegen Wouke van Scherrenburg van Den Haag Vandaag: ‘Mevrouw, u bent een etter’ en ‘Ga toch lekker naar huis, koken.’

Wat een etter, die verkoper. (Rinus Ferdinandusse, Stukjes in de kraag, 1965)
Ken dat ettur se bek nou niet us eive houwe? (Leonhard Huizinga, Prins Adriaan en prins Olivier, 1969)
Die gewaagt van gele etters en ‘chinken’ en schijnt ze haast even erg te vinden als kaaskoppen. (Ben Borgart, Buiten schot, 1975)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

etter scheldwoord 1914 [GVD] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut