Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

etmaal - (24 uur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

etmaal zn. ‘24 uur’
Mnl. atmael ‘tijdperk van 24 uren’ [1289; CG I, 1343], admael ‘id.’ [1319; MNW admael], atmael ‘tijdsruimte tussen bepaalde (vaste) feestdagen’ [1356-88; MNW admael], etmael ‘periode van 24 uur’ [ca. 1414; MNW onthangen], atmael ‘feest, feestmaal’ [1481; MNW admael].
Oude samenstelling met een tweede lid dat correspondeert met → maal 1 in de betekenis ‘tijdsruimte, tijd’. Het eerste lid is een partikel met oorspr. betekenis ‘weer, terug’, dat geen nnl. cognaat heeft, maar nog wel voorkomt in het verouderde etgroen of etgras ‘gras dat voor de tweede keer op een gemaaid hooiland opschiet’ en in mnl. edericken ‘herkauwen’.
Dit partikel heeft Germaanse cognaten in: os. ed-; ohd. it-; ofri. et-; on. ; got. id-, iþ- ‘en, maar, als’; < pgm. *eð-, *eþ-. De samenstelling met maal is ook te vinden in: mnd. etmāl, admāl; ohd. itmālī ‘plechtigheid, feest’; ofri. etmēl (nfri. etmel, etmiel ‘etmaal’); oe. edmæle.
Met pgm. *eþ- zijn verwant: Latijn et ‘en’; Grieks ēti- ‘nog’; bij de wortel pie. *h1eti- (IEW 344). Verwantschap met Latijn iterum ‘wederom’ en Sanskrit itara ‘andere’ is vanwege de wisseling tussen -i- en -e- niet direct mogelijk.
De oorspr. betekenis van etmaal is ‘steeds terugkerende tijd’. Daarmee werden o.a. de regelmatig terugkerende kerkelijke feestdagen aangeduid, vandaar de betekenis ‘feestdagen, feest(maal)’. Door de opkomst van de Latijnse leenwoorden fēria (zie → vieren 2) en festus (zie → feest) werd etmaal in deze betekenis verdrongen en bleef alleen de beperkte betekenis ‘tijdperk van 24 uur’ over.
Lit.: Frings 1968; Grauwe 1979/1982, 46-47

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

etmaal* [24 uur] {admael, atmael, etmael 1289} middelnederduits etmāl, oudfries etmēl; voor het eerste lid vgl. etgroen, voor het tweede maal5.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

etmaal znw. o., mnl. edmael, admael ‘etmaal, termijn, feest’, mnd. etmāl, admāl, ohd. itmālī ‘feest’, ofri. etmēl ‘tijdduur van 12 en 24 uur’, oe. edmæltid, edmæle ‘feest’. — Voor het 1ste lid zie: etgroen, voor het 2de maal 1. — > nhd. etmal (sedert 1645 bekend, vgl. Kluge, Seemannssprache 1911, 227).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

etmaal znw.o., mnl. edmael, waarnaast de opmerkelijke vorm admael (beide ook met t geschreven) o. “etmaal, termijn, feest” = (ohd. itṁâli bnw. “festus, sollemnis”, itmâlî v. “feest”), mnd. ëtmâl, admâl, ofri. ëtmêl o. “tijdduur, 12 uur, 24 uur”, ags. ëdmæ̂l-tîd v., ëdmæ̂le o. “feest”. Vgl. maal I. Bovendien kent het Mnl. nog edwijt o. “smaad” = onfr. ëdwît (o.?), ohd. itawîʒ m., ags. ëdwît o., got. idweit o. “smaad” (eig. “het achterom kijken”?). Zie ook herkauwen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

etmaal o., + Ohd. etmâl, Ags. edmæ’le uit et 1 en maal; dus = regelmatig terugkeerende tijd.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Etgroen en etmaal; beide gevormd met een voorvoegsel ed, als onverbuigbaar woord et geschreven, dat in het oud-germ. veel voorkomt met de bet. terug, weder; de oorsprong verder is onbekend. Het eerste woord beteekent het groen, dat na het maaien weder opkomt, etgras; het tweede een tijdruimte van 2 x 12 uur, eig. de weder terugkeerende tijd (want maal, go. mel = tijd, geschikte tijd en dan etenstijd).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

etmaal ‘24 uur’ ->? Duits Etmal ‘24 uur, van 12.00 tot 12.00’; Deens † etmaal ‘(zeemanstaal) 24 uur’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ettmål ‘(zeemanstaal) periode van 12.00 uur tot 12.00 uur de volgende dag’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

etmaal* 24 uur 1289 [CG I2, 1343]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut