Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

etiket - (papiertje met opschrift)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

etiket zn. ‘papiertje met opschrift’
Vnnl. etiquette ‘lijstje met getuigenissen’ in bijv. Den intendit (geschrift met strafeis) ofte etiquette die partyen overleggen sullen tot instructie van de juge (rechter) om t'examineren d'oorconden [1615; Stall.]; nnl. etiquette “een opschrift, hetwelk de korte inhoud is van hetgeen eene zaak bevat, op flesschen, karotten enz.; opschrift, of titel; ook het ceremonieel aan het hof, of in voorname gezelschappen; hoofsche manier” [1824; Weiland], volgens de étiquette ‘volgens het etiket’ [1866; WNT etiquette], op 't etiket [1827; WNT].
Ontleend aan Frans étiquette ‘papiertje met opschrift’, Middelfrans estiquette ‘paal als doel in sommige spelen, paal als merkteken, merkteken op een paal’ [1387; Rey], met een verkleiningssuffix bij *estique (nu alleen nog in sommige noordwestelijke Franse dialecten, zoals bijv. Luiks stitche ‘uitstekende punt’), afgeleid van Oudpicardisch estiquier, estequier ‘insteken’ < Frankisch *stikkjan, *stikkan ‘steken’ (FEW, Rey) of < onl. *stekon, zie → steken. Misschien had het etiket oorspr. de vorm van een staafje [Wartburg].
Uit de betekenis ‘paal als merkteken, inkerving in een stok of paal’ heeft zich de betekenis ‘velletje waarop de inhoud van een zak processen is geschreven’ [1435; Rey] ontwikkeld. Hieruit kreeg het enerzijds een specifiek juridische betekenis, die in de 16e eeuw ook in het Zuid-Nederlands in gebruik is geweest; en anderzijds de speciale betekenis die nnl.etiquette heeft geleverd. Maar vooral ontwikkelde zich een algemenere en huidige betekenis ‘papiertje waarop de inhoud van iets is aangegeven’ [1580; Rey]. Het streven naar homonymievermijding heeft ertoe geleid dat etiket wel vernederlandst is en etiquette, dat geassocieerd wordt met Franse deftigheid, niet. Uit Frans étiquette is via het Engels ook → ticket ontstaan.
Lit.: Philippa 1999; Valkhoff 1931

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

etiket [label] {1824} < frans étiquette [idem], van middelnederlands sticken [steken, vaststeken, afpalen (met stokken), borduren].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

etikèt (zn.) omgangsvormen; Nuinederlands etiquette <1824> < Frans étiquette.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2etiket s.nw.
Strokie, meestal van papier of karton, op iets geplak of daaraan geheg om die inhoud, bestemming, ens. daarvan aan te dui.
Uit Ndl. etiket (1824).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

etiket (Frans étiquette)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

etiket ‘label’ -> Indonesisch étikét ‘label’; Javaans tikèt ‘label; kaartje, ticket’; Menadonees étikèt ‘label’; Minangkabaus atikat ‘label’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

etiket label 1824 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal