Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

eten - (voedsel tot zich nemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

eten ww. ‘voedsel tot zich nemen’
Onl. te etoni ‘om te eten’, at ‘hij at’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. eten [1240; Bern.].
Os. etan; ohd. ezzan (nhd. essen); ofri. eta; oe. etan (ne. eat); on. eta (nzw. äta); got. itan; < pgm. *etan- ‘eten’. In de verleden tijd komt in de meeste Germaanse talen in het enkelvoud een ongewone lange klinker voor: ohd. āz; oe. ǣt; on. át; got. fret (< fra-et); < pgm. *ēt-, wat overeenkomt met Latijn ēdi ‘ik heb gegeten’. Of dat ook voor het Oudnederlands gold, is niet zeker, aangezien de lengte van de klinkers in de W.Ps. niet wordt aangegeven.
Verwant met Latijn edere; Grieks édein; Sanskrit ádmi; Oudkerkslavisch jasti (Russisch jest', Tsjechisch jíst); Litouws ésti; Armeens utem; Hittitisch ed-; bij de wortel pie. *h1ed- ‘eten’ (IEW 287-88). Misschien ook verwant met → tand.
Het regelmatige verl.deelw. van het sterke werkwoord eten is geëten. Uit samengetrokken geten, dat al in het Middelnederlands en nu nog in veel dialecten een normale vorm is, ontstond door hersuffigering in de standaardtaal een nieuw deelwoord gegeten.
Een oude afleiding met voorvoegsel ver- is te vinden in → vreten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eten* [nuttigen] {oudnederlands eton 901-1000, middelnederlands eten} oudsaksisch etan, oudhoogduits ezzan, oudfries eta, ita, oudengels etan, oudnoors eta, gotisch itan; buiten het germ. latijn edere, grieks edein, litouws ėsti [eten], oudkerkslavisch jasti [eten], oudindisch admi [ik eet], hettitisch edmi [ik eet] → aas1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

eten ww., mnl. ēten, os. etan, ohd. eʒʒan, ofri. eta, ita, oe. etan (ne. eat), on. eta, got. itan. — lat. edo, gr. édō, édomai, oi. admi, osl. jami, jasti, lit. ė́mi (< *edmi), lett. edu, arm. utem, hitt. et- ‘eten’ (IEW 287-8). — Het znw. eten, mnl. mnd. eten, ohd. eʒʒan beantwoordt geheel aan oi. adana- ‘eten, spijs’. — Zie: aas, tand en vreten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

eten ww., mnl. ēten. Een alg.-germ. en idg. ww. voor “eten”: onfr. ëton, ohd. ëʒʒan (nhd. essen), os. ëtan, ofri. ëta, ita, ags. ëtan (eng. to eat), on. ëta, got. itan; ier. cini estar “etsi non edit”, eisse “esus”, kymr. esu, ysu “vorare”, lat. edo, gr. édō, esthíō, obg. jamǐ, lit. ė́du, ė́dmi, arm. utem, oi. ádmi “ik eet”. De inf. en het onz. znw. eten (reeds mnl. mnd. ēten, ohd. ëʒʒan als o. znw.) zijn volkomen = oi. ádana- o. “het eten, de spijs”. Vgl. aas I, vreten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

eten o., niet zelfst. gebr. inf. maar oud nw. + Ohd. eʒʒan + Skr. adanam, Gr. édanon.

eten o.w., Mnl. id., Onfra. eton, Os. etan + Ohd. eʒʒan (Mhd. eʒʒen, Nhd. essen), Ags. etan (Eng. to eat), Ofri. eta, On. id. (Zw. äta, De. æde), Go. itan + Skr. admi, Arm. utem, Gr. édō, Lat. edo, Oier. estar (= hij eet), Osl. jamĭ, Lit. edmi = ik eet: Idg. wrt. ed (z. tand).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ete (ww.) eten; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) eten, Aajdnederlands eton <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

eten: de dag eten (at, heeft gegeten), 1. de tijd doorkomen zonder (echt) te werken. - 2. spijbelen. - Syn. van 2: les eten*, uren eten*, stokje draaien*.
— : zie koren* eten.
— : les eten (soms vreten i.p.v. eten), spijbelen. Vaak stoorden wij [leerlingen die een les verzuimden] met ons gebalk de lessen naast* en op een keer stak een boze Hollander [leraar] z’n hoofd door de deur van het lokaal waar we onze lessen zaten te vreten (Rappa 1981: 86). - Syn. de dag eten*, uren eten*, stokje* draaien.
— : zie ‘eet mijn mars*’, plat* eten.
— : uren eten, syn. van ‘de dag eten*’ (1 en 2): z.a. - Etym.: S njan a joeroe (njan = eten; joeroe = uur).
— : vakantie eten, vakantie hebben, de vakantie doorbrengen. Ik ga vacantie eten op plantage (BN 120: 60; 1980).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Eet ww. Segsw.: Eet wat jou lus en ly wat daarop volg. – Malherbe 171 haal alleen aan uit Molema: Eeten wat man mag un lieden, wat der vör hört. Vgl. Eckart 103: Êten wat ’n mag und lîden wat ’n kan. 104: ;Êten wat man mag, un lieden wat dervör hört. H(olstein). Vgl. nog Harreb. III, 22: Men moet eten, wat men lust, en lijden, wat men kan en ook Dijkstra II, 21.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Eten, van den Germ. wt. et, Idg. ed = eten. Zie ook Tand.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

eten ‘nuttigen’ -> Petjoh eten ‘nuttigen; slaan (in damspel)’; Negerhollands jeet, jēt, jit, yet ‘nuttigen’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) jet, jeet ‘nuttigen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

eten* nuttigen 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1702. Iemand de ooren van 't hoofd eten,

d.w.z. bijzonder veel eten. Vgl. Brederoo I, 392: Heer, seyse Leckerbeetje, gy souwt een mensch de ooren wel van 't hooft eten. Kynt seyse, koken kost; Tuinman I, 324: Gy zoud my de ooren wel van 't hoofd eten; Harreb. I, 328; III, 232: De jongens eten mij de ooren en neus van den kop; fri. hja frette him de earen fen 'e kop, de klaploopers, zijn groot aantal kinderen.... houden hem arm; Afrik. iemand se ore van sy kop afeet; Ndl. Wdb. XI, 38.

1046. Ergens kaas (of pap) van gegeten hebben,

d.w.z. ondervinding hebben van iets, tot de ingewijden behooren, in een bepaald opzicht geen onwetende zijn, dikwijls in ongunstigen zin, evenals het gron. 'k heb d'r kool (of kouk) van had, ik heb er de slechte gevolgen van ondervonden (Molema, 218 b; 536 b), dat te vergelijken is met hij heeft er van gesmuld, dat ironisch opgevat beteekent ‘dat hij eene ondervinding in zijn nadeel heeft opgedaan’ (Harreb. III, 61 b). In het fr. zegt men in dezen zin savoir ce qu'en vaut l'aune; vgl. ook j'ai soupé de votre fiole, ik ken jou wel, jij behoeft me niets wijs te maken. Zie Volkskunde XXII, 87; Harrebomeé, I, 372: Hij heeft er geen kaas van gegeten; Zondagsbl. van Het Volk, 1905, p. 92: Van stoeten opstellen heeft men in Holland geen kaas gegeten; Landl. 67: Die lieuwe te rake, daar hebben nog alle stroopers geen kaas van gegeten P.K. 47: Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel komen, maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze geen kaas gegeten; Nkr. VI, 8 Juni, p. 4: Zij grepen het artikel tachtig, bekeke; 't links en rechts aandachtig, maar hoe 't worden moest, helaas! nee, dáárvan aten zij geen kaas; Het Volk, 29 Jan. 1914, p. 1 k. 4: Helsdingen heeft van hooger onderwijs natuurlijk geen kaas gegeten; 25 April 1914, p. 6 k. 3: Buwalda is uiterst snel, maar van techniek en taktiek heeft hij toch nog heel weinig kaas gegeten; Nkr. IX, 19 Juni p. 7: Toen zijn we op een avond in z'n kantoor ingebroken en hebben d'r wat meegenomen, god, zo'n beetje, want de brandkast, daar hadden we geen kaas van gegeten; Het Volk, 15 Nov, 1915, p. 5 k. 4: Daar hebben u en ik geen kaas van gegeten; 3 Maart 1915, p. 5 k. 4: Gij at van politiek geen kaas, dat kon u weinig schelen; 25 Juni 1914, p. 2 k. 1: De kwestie was zoo nesterig en ingewikkeld, dat menig Kamerlid er absoluut geen kaas van gegeten had en zich toen maar hield aan den Minister; De Voorhoede, 9 Mei 1914, p. 1 k. 4: De kranten hier schrijven er zeer geleerd over, maar de ware kaas hebben we er toch nog niet van gegeten; Nkr. II, 2 Febr., p. 2; 19 Juli. p. 3; Ndl. Wdb. VII, 731. Syn. was Pak en mantel van iets hebben (zie Ndl. Wdb. XII, 165); Hij heeft er geen pap van gegeten (Harrebomee II, 171 a); zie Het Volk, 16 Sept. 1913, p. 5 k. 1:

Enfin, de kiezers vonden dat
Gij nog geen pap gegeten had
Van goeie wetten makerij;
Uw klubje viel, en gij er bij.

1869. Eten uit den pot van Egypte,

d.i. nog in het ouderlijk huis gevoed worden; voor zijn bestaan onbezorgd zijn, leven uit den korf zonder zorg (Waasch Idiot. 366 a), of zooals men in 't Friesch zegt fen de onbisoarge byt libje, eene herinnering aan den tijd, toen de Israëlieten bij de vleeschpotten van Egypte zaten, zich konden verzadigen met brood (Exod. XVI, 3) en te goed doen aan visch, die zij aldaar om niet aten, aan komkommers, meloenen, uien en knoflook (Num. XI, 5). Vgl. Zeeman, 187; Harreb. I, 175 b; Twee W.B. 121: Zoo stumper, zit nou maar is neer bij de potten van Egypte. Mot je een droppie?; De Arbeid, 15 Oct. 1913, p. 4 k. 1: En dan het pensioen niet te vergeten, waardoor de gemeente-arbeider, die gedurende zijn diensttijd al uit den pot van Egypte heeft gegeten, op zijn levensavond een onbezorgd bestaan kan leiden; Het Volk, 26 Febr. 1914, p. 1 k. 2: Klerikale baantjesjagers, die zeuren, omdat ze niet meer zitten aan de vetpotten van Egypte; Het Volk, 2 Febr. 1914, p. 5 k. 2: Mr. Tymen de Vries, die over de centen beschikte, terwijl Staalman het lef had, trok er gauw tusschen uit, toen hij zag dat het misliep en keerde tot de vleeschpotten terug, terwijl Staalman de affaire voortzette; fri. dat gjit út 'e pot fen Egypte; nd. nog ût de pot fan Aegypten eten, nicht für sich selbst sorgen brauchen.

1890. Een profeet die brood eet

is iemand, wiens voorspellingen weinig beteekenis hebben en geen vertrouwen verdienen. In de 18de eeuw is de uitdr. bekend, blijkens Tuinman I, 326 en Sewel, 652: Het is een propheet die brood eet, he is a false, a sham, a mock prophet; in het Antw. Idiot. 1000: een profeet van roggebrood; in Westphalen: et ies en Profetie, dei Braut ietet (Eckart, 418). Hetzelfde wordt uitgedrukt door een broodetend profeet, een valsche profeet (17de eeuw) of een broodprofeet, een schimpnaam voor iemand aan wiens voorspellingen men geen geloof slaat, Ndl. Wdb. III. 1548; 1565; 1572; VII, 899; fri. dou hest fen 'e moarn in stik brea hawn, gij zijt een broodetende profeet. Volgens Laurillard, 45 en Zeeman, 416 is de uitdr. ontleend aan den Bijbel en wel aan Amos 7, 12, waaruit zou blijken, dat men er in eig. zin onder moet verstaan ‘iemand, die liever dan zijn profetentaak getrouw te vervullen, zijn brood eet, d.i. zijn eigen kost en voordeel zoekt, en dus geen echt profeet mag heeten’. Let men evenwel op Bebel, no. 571 (anno 1508): cacantes prophetae; in hariolos dicitur; Wander II, 466: man glaubt an keinen scheissenden Heiligen (16de eeuw); Pers, 83 a: ‘Sal dese narre, en broot eetent kacker, een Propheet zijn?’ dan komt het me voor, dat we voor de verklaring niet zoo zeer op het broodeten als wel op het cacare moeten letten, en Wander niet ver van de waarheid zal zijn, wanneer hij zegt: ‘wer verehrt werden will, muss nicht versäumen, sich mit einer gewissen, das Publikum bestechenden Glorie zu umgeben; er muss vermeiden, was an menschliche Natur erinnert’Zie nog Ndl. Wab. VII, 899 en vgl. hiermede Harrebomée I, 142: Die van dominé's wil leeren (of: Die de dominé's wil eeren) moet er nimmer meê verkeeren; I, 40: Men moet van een dominé geen beenen zien, men moet een' predikant niet buiten den predikstoel beschouwen; en de fr. uitdr. il n'y a pas de grand homme pour son valet de chambre.. In Dat boeck van den drie coninghen, 66 v (Delf, 1479) komt voor: Ick gelove ghien hilligen oft sy moeten broodt eten; Afrik. die ou profete is dood en die jonges eet brood.

1944. Roet in het eten gooien of smijten,

d.w.z. iemands genot vergallen, den boel bederven. Vgl. Handelsblad, 6 Mei 1914, p. 2 k. 3 (ochtendbl.): De scheidende regeering heeft in hare verbittering over den uitslag nog wat roet in het eten gegooid voor hare onbekende opvolgers; 17 Sept. 1914, p. 2 k. 2 (ochtendbl.): De eerste nederlaag van de Oostenrijkers bij Lemberg wierp wat roet in het eten; De Telegraaf, 30 Jan. 1915 (avondbl.), p. 5 k. 6; Nederland, 1914 II, 17; S.M. II: Nu wordt 't 'n mooie boel, die leelijke rooie Haantjepik van twee hoog boven gooit roet in ons eten; De Telegraaf, 29 Nov. 1914 (ochtendbl.), p. 6 k. 6: De betonwerkers die roet kwamen strooien in de plannen gemaakt omtrent de opening; Morks Magazijn, Juli 1914, p. 46: Wel is waar mengden de anderen dikwijls roet in 't eten, maar daarin berustte hij; Het Volk, 11 Mei 1914, p. 2 k. 2: De ‘Standaard’ gooit nu een dikke bonk roet in het koalitie-eten; 29 April 1914, p. 1 k. 4: Vliegen wierp roet in 't eten van de heeren; De Arbeid, 4 Febr. 1914, p. 3 k. 2: Niets deugde dan alleen zij, die trouw het hunne hadden gedaan om geen roet in 't potje van den Zeemansbond te gooien; 25 Febr. 1914, p. 3 k. 3: Zulke dingen houdt men echter achterbaks om geen roet in het eten te werpen; 11 Juli 1914, p. 3 k. 2: Daar gooien de kiezers van V. me waarachtig roet in den sociaaldemocratischen hutspot; De Amsterdammer, 26 April 1914, p. 7 k. 5; Nkr. I, 17 Nov. p. 2: Er werd echter roet in 't eten gegooid door de hebzucht der inboorlingen; VIII, 4 April p. 4; IV, 19 Juni p. 4 (roet in de rijstenbrij gooien); Van Looy, Feesten, VI: Dat er ook altijd menschen moeten zijn die roet komen doen in het eten; Handelsblad, 15 Jan. 1922 (O), p. 7 k. 2: De griep heeft roet in het eten van de Belgische elftalcommissie geworpen; Boekenoogen, 844: er is roet in 't eten, de zaak is niet in orde, er zijn moeilijkheden; ook: er is ruzie; Afrik. dit was roet in sy kos. Syn. een haar in de boter (zie Het Volk, 5 Dec. 1913, p. 1 k. 4).

2098. De soep wordt niet zoo heet gegeten, als ze wordt opgediend,

d.w.z. de uitvoering van bevelen, verordeningen en bedreigingen is dikwijls minder streng dan men naar den inhoud verwacht Men bezigt deze uitdr. om te kennen te geven, dat naar iemands meening het zoo'n vaart niet loopen zal. Vgl. Handelsblad, 16 Jan. 1921, p. 1 k. 4: De soep wordt nooit zoo heet gegeten als ze wordt opgedaan; 18 Juli 1920, p. I k. 1: In de militaire quaestie heeft Duitschland moeten toegeven.... al zal onder den drang der omstandigheden wellicht ook hier de soep niet zoo heet worden gegeten als ze is opgediend; 11 Maart 1921 (O), p. 6 k. 4: Als men niet wist, dat ‘de soep nooit zoo heet wordt gegeten als ze wordt gekookt’, zou men durven voorspellen: de tabaksbelasting gaat er aan; 26 Juli 1917 (O), p. 2 k. 1: De pap wordt niet zoo heet gegeten als ze gekookt wordt; 19 Juni 1923 (A), p. 13 k. 4: Een lichtpunt dat den ouders en ook den examinatoren tot troost zal strekken is, dat vermoedelijk de soep ook hier niet zoo heet gegeten zal worden, als ze ter tafel komt; Afrik. pap word altyd warmer gekook as dit geëet word, men overdrijft licht. Vertaling van 't hd. Der Brei wird heiszer aufgetragen als gegessen; es wird nichts so heisz gegessen als gekocht (gebacken); der Brei wird nicht so heisz gegessen als er vom Feuer kommt, als er aufgegeben wird.

2126. Verandering van spijs doet eten,

d.w.z. door nu en dan eens te veranderen van spijs, behoudt men eetlust; bij overdracht: door verandering van werkzaamheid, van uitspanning enz. verliest men den lust, het genoegen daarin niet; gri. μεταβολη παντων γλυκυ; lat. varietas delectat. In de Prov. Comm. 759 vinden we: vele gherichten doen vele eten, hoc plures escae faciunt bene quodlibet esse. Vgl. verder Sart. I, 8, 31: veranderingh van spijs doet wel eeten; Smetius, 159: verscheydentheyt van spijse doet eten; Huygens, Een onwetend Medecyn, 20: nieuwe schotelen ontsteken niew' begeert; V.d. Venne, 260: verandering van Gras doet de Koeyen dyen; De Brune, 177:

 Veranderingh van praet en kout,
 De menschen in vermaecking houdt.
 De nieuwe spijs tot sausse streckt,
 Die ons den appetijd verweckt.

Zoo ook bij Brederoo, I, 278, vs. 255: Verandering van spijs, seyt men, doet wel eten (obscoen); III, 412, 71: Verandering van spijs maakt lust en appetijt; Vierl. 36; Tuinman I, 341: verandering van spijs doet wel smaaken; II, 1; Adagia, 65: verhanderinge van Speijs doet wel Eten. jucunda rerum vicissitudo; Afrik. verandering van spyse (kos) laot eet (gee eetlus); Joos, 160: verandering van spijzen geeft nieuwen appetijt; in het Friesch: foroaringe fen spize docht iten.

2234. Met lange tanden eten,

d.w.z. met tegenzin eten; langzaam en gerekt kauwen, kieskauwen. Vgl. Wander V, 492: mit langen Zähnen essen; lange Zähne machen; het Westvl. met lange hielen ergens heengaan, met tegenzin of uit vrees ergens traag naar toegaan (De Bo, 1180), en het Zuidnederl. met lange handen werken, met tegenzin werken (Ndl. Wdb. V, 1773). Zie Tuinman I, 108; Nal. 12; II, 28 en Van Effen, Spect. V, 37: Is 't niet een hard gelag dat hy gewoon zynde niets dan het allereelste op zyn tafel te zien, erreten, boonen, stokvisch, spek, gezoute vlees en scheeps beschuit met lange tanden zal moeten kaauwen? Harreb. II, 323; Nkr. VII, 15 Nov. p. 2; V.d. Water, 140: trektanden, kieskauwen; Afrik. hij eet met lang tande. Voor Zuid-Nederland vgl. Joos, 80; Waasch Idiot. 387 b; Antw. Idiot. 1220; in het Friesch: mei lange tosken ite.In 't Fransch beteekent avoir les dents longues, uitgehongerd zijn.

2515. Van twee wallen eten.

In lett. zin doet dit een koe in een greppel; fig. zich nu eens bij de eene partij voegen en dan weder bij de andere, alnaarmate men grooter profijt kan behalen (Harreb. II, 434); van beide kanten voordeel trekken; fri. it gêrs fen beide wâllen ite of fen beide siden ite, meer dan een partij trachten te bevredigen; Molema, 464: Hij et van baide wallen, hij heult met beide partijen en doet daarmede zijn voordeel; ook hij lopt midden in de sloot, en et van baide wallen; vgl. verder Handelsblad, 13 Nov. 1913 p. 1 k. 2: Zij (de uitslagen van de stemming) doen zien, dat ten slotte de meerderheid der kiezers zich niet tot het eten van twee walletjes noodigen laat en dat men in dezen kiezen of deelen moet; 28 Juli 1913 p. 1. k. 4: Een kabinet dat van zins was gedurende een paar jaar van twee walletjes te eten; Het Volk, 5 Dec. 1913 p. 1 k. 4: De ‘Standaard’ had met het oog op de waarschijnlijkheid dat het ministerie voor zijn oorlogsbegrootingen recht en voor 't staatspensioen bij de soc. dem. hulp zou zoeken, gesproken van een willen eten van twee walletjes; 12 Sept. 1913 p. 1 k. 1; 17 Juli 1914 p. 1 k. 1; 22 Oct. 1913 p. 1 k. 1; Nkr. VII, 9 Aug. p. 6: Een ideaal Ministerie moet van twee wallen eten; dan worden de wallen ook vriendelijk gestemd; Het Volk, 4 Januari 1915 p. 5 k. 1: De burgerlijke demokratie vereenigt in zich twee elementen, de vooruitgang en het behoud, en wijl men van geen twee wallen tegelijk kan eten, komt zij herhaaldeiijk met zichzelf in tegenspraak; Schoolblad XLIV, 592: Maar nu geeft hij zoo een glimp van recht aan de poging om de N.O.G.-leden van twee walletjes te laten eten - de oude en de nieuwe Groene naar keuze; Nkr. XI, 28 Aug. p. 2; Handelsblad, 23 Mei 1915 (ochtendbl.) p. 1 k. 4: Ook Roemenië kan van twee wallen eten: aan den eenen kant lokt Bessarabië, aan den anderen kant Zevenburgen; fr. manger à deux râteliers, tirer profit de deux côtés differents. Vgl. in Zuid-Nederland tusschen twee waters zwemmen, twee tegenovergestelde partijen willen voldoen (Despars I, 78; Waasch Idiot. 732; Antw. Idiot. 1420; Harreb. II, 441); fr. nager entre deux eaux, bij Halma de vertaling van tusschen water en wind drijven, Vgl. no. 1235.

2557. Die niet werkt, zal ook niet eten

is ontleend aan II Thess. 3, 10: Want oock doe wy by u waren, hebben wy u dit bevolen, dat soo yemandt niet en wil wercken, hy oock niet en ete; Zeeman, 194; Laurillard, 79; mnl. die niet en pijnt ne moet niet eten; Goedthals, 23; Winschooten, 357; Tuinman I, 125; Joos, 154: die niet werkt met vlijt is zijnen boterham kwijt; fri. gjin wirk gjin huning (vgl. gron. en oostfri. veul wark en gijn hönig); Harreb. III, 22 a; afrik. wie nie werk nie, sal nie eet nie; Wander I, 122; fr. pour manger, il faut travailler; hd. wer nicht arbeitet, soll auch nicht essen; eng. no mill, no meal.

2616. Een zak (een mud, een schepel) zout met iemand gegeten hebben,

d.i. langen tijd met iemand omgegaan hebben. Deze, nu eenigszins verouderde, zegswijze komt sedert de 16de eeuw in onze litteratuur voor, waarin zij ontleend is aan de klassieken. In het Grieksch wordt ze aangetroffen bij Aristoteles, lib. Moralium, VIII, c. 4 § 9; Moralium Eudemiorum, lib. VII, c. 2; Plutarchus, περι φιλαδελφιας, p. 482 B; in het Latijn bij Cicero, de amicitia, c. 19, 67: Verum illud est, quod vulgo dicitur, multos modos salis simul edendos esse, ut amicitiae munus expletum sit. Zie vooral Suringar, Erasmus, CXXXVI; Journal, 7; V. Wyss, 38 en vgl. Goedthals, 20: Niemant te betrauwen ghy en hadt met hem gheten een mueken sauts, devant que cognoistre un amy, menge un muy de sel avec luy; Campen, 2: Men sal niemant tot enen vrent verkiesen, men hebbe dan te voren veele schepel solts mit hem ghegeten, secht Cicero; De Brune, Bank. I, 333: Wie vaste vriendschap bouwen wilt, ete voor al eenighe muddekens zout met yemand, eer hy hem tot zijn vriend keurt; Cats I, 521: Al eer dat ghy een vrient betrout soo eet met hem een mudde sout; Tuinman I, 150; II, 56; Harreb. II, 490; III, 364; 419; Taal en Letteren III, 370; H.v.Z. 58: Bij die sal je geen zak zout ete; Groningen IV, bl. 207: Daar zijn zo eenige Latijnse woorden die voor elke stad- of lands-Groninger... als 't ware pasmunt zijn, ‘Vindicat’ is er een. ‘Mutua fides’ een ander; verder gaan er grif nog zulke als ‘riepe’ ‘intast’, ‘sikkom’, die al een zak zout met ons gegeten hebben en niet meer als vreempjes worden aangezien; Volkskunde XVI, 46; afrik. 'n sak sout met iemand opgëeet hê; Wander III, 1849; 1855; Grimm, VIII, 1706; Antw. Idiot. 812: hij zal daar geen meuken zout eten, hij zal er niet lang wonen; in het fri.: wy moatte earst ris in healsek sâlt mei elkoar op-iten habbe, wij moeten eerst een halven zak zout samen hebben opgegeten, voor wij elkaâr goed zullen kennen (W. Dijkstra, 349 aIn het Land v. Aalst zegt men: ge moet eerst nen tijd bij iemand geslapen hebben; vgl. Eckart, 397: se hebben noch gên söven Paskeier mitnanner êten.); hd. einen Scheffel Salz mit jem. gegessen haben; fr. avoir mangé un minot de sel avec qqn; Vgl. in Zuidndl. ergens niet veel botermelk (karnemelk) vuil maken, van dienstboden: niet lang blijven.

2666. Heb je ('t) ooit zoo zout gegeten?

d.w.z, eig. heb je ooit zoo iets sterks geproefd?; bij overdr.: heb je ooit zoo iets vreemds, zonderlings beleefd of gehoord? Vgl. Prikk. V, 17: Heb je 't ooit zoo zout gegeten? vroeg de Grootvorst. Zoo'n kwibus; Zondagsblad v. Het Volk, 1905 p. 247:

 Wie heeft ooit zoo zout gegeten?
 Een geest die niet liberaal was, werd liberaliteit verweten.

M.z.A. 164: Drie gulden betalen, omdat ik geheschen heb zonder ‘van onderen’ te roepen; heb je 't ooit zoo zout gegeten! Menschenw. 104: Seg, Kees, hai jai 't ooit so sout gete?; evenzoo bl. 422; 439; Slop. 46: Heb ik in 's hemelsdage ooit zoo zout gegete! Nkr. X, 29 Januari p. 8: Wel heb ik 't nou ooit zo zout gevrete! Ben jij nou een vent om onze lieveheersbeesje te spelen in de kerk! Onze Volkstaal, III, 252. Ik heb 't nooit zoo zout gegeten, ik heb 't nooit zoo gezien, beleefd; Opprel, 90: Dat heb ek nog nooit zoo zout gegete, dat heb ik nog nooit zoo aangetroffen; fri. sa sâlt ha 'k it noait iten; Antw. Idiot. 1502: 't Is nog al zout, het gaat nog al ver, het overschrijdt de grenzen der betamelijkheid; Waasch Idiot. 769: hij maakt het wat zout, van eenen beslagmaker; zoo zuur of zoo zout heb ik het nog nooit geëten, ik werd fel bekeven. Vgl. ook iemand de pap zout koken, iemand het leven zuur maken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut