Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

erwt - (peulvrucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

erwt zn. ‘peulvrucht’
Mnl. erweten (mv.) ‘id.’ [1240; Bern.].
Os. erwit, erit; ohd. araw(e)iz ‘erwt’ (nhd. Erbse); < pgm. *arwait- ‘erwt’. Het is niet zeker of on. ertr (mv.) ‘erwten’ een leenwoord uit os. erit is of een erfwoord.
Wrsch. een Germaanse of pre-Germaanse samenstelling of afleiding. Het eerste deel is een woord *arwa- dat verwant is met Latijn ervum ‘peulvrucht’; Grieks órobos, erébinthos ‘kikkererwt’; Middeliers orbaind ‘korrel’; verder van onbekende herkomst, maar zeker niet Indo-Europees. Het tweede deel is misschien een achtervoegsel, maar wordt ook wel in verband gebracht met pgm. *ait- ‘haver’, zie → aat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

erwt* [een plantenzaad, ook als voedsel] {(a)erwete 1201-1250} oudsaksisch erit, oudhoogduits arawiz; buiten het germ. latijn ervum, grieks orobos, erebinthos [erwt]; de verschillende vormen zijn klankwettig niet terug te voeren tot één i.-e. stam. Het woord is dan ook waarschijnlijk in diverse i.-e. talen ontleend aan een niet-i.-e. taal, vgl. erevandi in het niet-i.-e. georgisch (vgl. erf1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

erwt znw. v., mnl. erwete, aerwete, arwete, mnd. erwete v., ohd. araweiʒ, arawīʒ v. (nhd. erbse), os. erit v., on. ertr v. (over de vraag of dit al dan niet aan het os. ontleend is, vgl. AEW 105). — Het is een leenwoord van onbekende herkomst, dat ook optreedt in lat. ervum ‘wikke, erwt’, gr. érebinthos ‘erwt’, órobos ‘grauwe erwt’, miers orbaind ‘korrel’ (vgl. Hoops, Waldbäume 463 en G. Ipsen, Fschr. Streitberg 1924, 230-2).

De vla. vorm erwete beantwoordt merkwaardig aan ohd. araweiʒ; zie kaart in Onze Taaltuin 3, 1934-5, 30. Hier ook verdere vermoedens over de herkomst van het woord uit een kaukasische taal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

erwt znw., mnl. erwete, aerwete, arweete v., in het Vla. nog erweet, eerwete, erwete. = ohd. araweiʒ, -îʒ (nhd. erbse). os. erit v., on. ertr v. mv. “erwt(en)” (ags. earfe v. “een soort wikke” uit *ærƀe is vermoedelijk uit lat. ervum resp. rom. *ervu “id.” ontleend). Men heeft ontleening uit lat. ervum of uit gr. órobos, erébinthos “erwt, wikke” of van elders aangenomen. Waarschijnlijker is verwantschap met ervum (idg. orw- : erw-). Er is geen reden om de w uit gh af te leiden, om zoodoende deze woorden met de gr. te kunnen verbinden: dat zou alleen dan gerechtvaardigd zijn, als gr. ß werkelijk = idg. gh kon zijn. Verwantschap hoogerop is mogelijk, bovendien met mier. orbaind “grains” (idg. orw?) en gr. árakos “een hulsvrucht”. Het tweede lid, ohd. -eiʒ kan bij ags. âte v. (eng. oats) “haver” behooren, als dit ospr. “korrel” beteekend heeft (vgl. koren I). Dan zou het van den idg. wortel oid- ”zwellen” kunnen komen: vgl. gr. oĩdos “gezwel”, oidéō “ik zwel”, obg. jadra mv. “boezem”, arm. ait “wang”, aitnum “ik zwel”, aitumn “gezwel” (zie etter).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

erwt. De ags. benaming voor de erwt is pise v. < gallo-rom. pisum (eng. peas, pease ‘erwten’, waaruit enk. pea). Blijkbaar hebben de Angelsaksen in hun continentale vaderland de erwt nog niet gekend. Naar Scandinavië is de erwt wsch. eerst in de Wikingertijd gekomen: on. ertr is aan het continentale Germ. ontleend. Zie hierover Hoops Reall. I, 622 vlgg.
De gr. woorden órobos, erébinthos mogen stellig van de germ. niet worden gescheiden (gr. árakos blijft beter buiten beschouwing: bij lat. arinca ‘een graansoort’??); kleine formele afwijkingen zijn bij een ‘Wanderwort’ als dit niet te verwonderen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ert v. (gezwel), : hetz. als erwt.

erwt v., Mnl. erwӗte, erwēte, Os. erit + Ohd. arawiʒ (Mhd. erwiʒ, Nhd. erbse), On. ertr (Zw. ärt[a], De. ert), wellicht rechtstreeks ontleend aan dez. niet-Idg. taal waaraan Gr. erébinthos, órobos, Lat. ervum, Osl. revitŭ ontleend zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ert: gew. dim. ertjie, bek. peulvrug; Ndl. erwt (Mnl. o.a. erwete/a(e)rwe(e)te, by vRieb erten, in Vl. nog e(e)rwete), Hd. erbse, bib. ’n ss. waarvan eerste lid verb. hou m. Lat. ervum of Gr. orobos en erebinthos, “ert”, en tweede m. Gr. oidos, “geswel”, mntl. verw. aan etter; v. ook Kloe HGA 116, 121.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

erwt ‘plantenzaad, ook als voedsel’ -> Deens ært ‘plantenzaad, ook als voedsel’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch ércis ‘een groente’; Madoerees arcīs ‘een groente’; Negerhollands ertenboonje ‘plantenzaad, ook als voedsel’; Papiaments † ert ‘plantenzaad, ook als voedsel’; Sranantongo erki ‘plantenzaad, ook als voedsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

erwt* een plantenzaad, ook als voedsel 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

99. Een schip met zure appelen (of met grauwe erwten).

Hieronder verstaat men een opkomende zware regen- of hagelbui. Vgl. Harrebomée I, 3 b: Het schip met zure appelen is in aantocht. In het Friesch: Dêr komt in skip mei sûre apels oan, er is een regenbui in aantocht; ook: het kind wil gaan huilen (Dijkstra, 283); vgl. bijv. J.P. Heye's ‘Pietje bedroefd’: Een scheepje met zuur appelen, dat zeilt er om zijn' mond; en in het Oost-Friesch: Dâr kumd 'n schip mit sûre appels afer (Ten Doornk. Koolman I, 48); bij Eckart, 457: en Schipp vull sûre Appeln, eine dicke Regenwolcke. Zie ook Jahrb. 1904, bl. 79. In Limburg spreekt men, volgens Welters 86, van een appelenschip of -schuit voor een ‘koude bui’; evenzoo is in het Vlaamsch een appelschip (-scheep), een hagelvlaag, een buiige wolk, waaruit het hagelt (De Bo, 56); in Limburg een hagelwolk ('t Daghet, XV, 172); langs den Rijn spreekt men van het regenschip. Zie ook Waasch Idiot. 578: Ze zijn een schip aan 't laden, het zal gaan donderen; Antw. Idiot. 1079: Schip, wolk, waaruit men een felle regenbui of hagelvlaag verwacht in de uitdr. ze zijn weer een schip aan 't laden of er komt weer een schip af; Jongeneel, 94: Es et Noarsjip (Meersjip) mit der kop nae 't Weste sjteet, hant ver binne veer en twintig oere reège, als de nevelbank ('t zeeschip) in het Noorden met den kop naar het Westen staat, krijgt men binnen 24 uren regen. Dat het geloof aan zoo'n schip oud is, bewijst Mannhardt, Germ. Myth. 466 met een plaats uit Agobard († 840 als bisschop van Lyon): ‘contra insulsam vulgi opinionem de grandine et tonitruis’. Plerosque autem vidimus et audivimus tanta dementia obrutus, ut credant et quan-dam esse regionem quae dicatur Magonia, ex qua naves veniant in nubibus, in quibus fruges, qua grandinibus decidunt et tempestatibus pereunt, vehantur in eandem regionem, ipsis videlicet nautis aëreis dantibus pretia tempestiariis et accipientibus frumenta vel ceteras frugesZie ook Ons Volksleven VIII, 235: Grimm, Myth4 532, i.v. nebelschiff en Dr. Coremans, L'année de l'ancienne Belgique, bl. 133..

1245. Zijn koren groen eten,

d.w.z. van de hand in den tand leven en voor den kwaden dag niets opleggen; vooral gezegd van lichtmissen en verkwisters, die hunne inkomsten al van te voren verteren; ook zijne erwtjes in 't groen eten (Harrebomée I, 186 a). De spreekwijze kan ontleend zijn aan de fabel van den krekel en de mier; doch ook aan het feit, dat een landbouwer zijn gewas verkoopt, terwijl het nog te velde staat, om aan geld te komen. Zij stellen zich dus aan 't gevaar bloot van later op 't droge te zitten. Zij komt in de middeleeuwen voor in Vrouw. e.M. XI, 18; zie ook Plantijn: Sijn koren gruen eten, versuram deinceps ab ineunte anno facere; Goedthals, 56: Syn coiren groene eten, zyn witte broot voren, menger son bled en herbe; apres blanc pain, pain bis, ou faim (fr. manger son blé en vert (ou en herbe); couper ses blés en vert); Campen, 95: hy heft syn witte broot al voer gegheten (dit ook bij Servilius, 9*; 151*); Idinau, 73:

De sulcke hun kooren groen op-eten,
Die 't gheldeken verteeren, eer 't is ghewonnen.

De Brune, 287: 491; Hy eet zyn koren groentjes op; Tuinman I, 105, 174; Halma, 283; Sewel, 410; Harreb. I, 439. Vgl. nog Schuerm. Bijv. 198: zijnen mik vóoreten; Antw. Idiot. 1456: zijn wittenbrood veur eten, zijne gelukkige dagen eerst hebben; Ndl. Wdb. V, 820 en Kalff, Lied in de Middeleeuwen, 460. De zegswijze is nu in Noord-Nederland bijna verouderd, doch komt in Zuid-Nederland nog voor; vgl. Waasch Idiot. 266: zijn koorn groen opeten, een erfdeel door schulden kwijt geraken, voordat men er in bezit van is.

1261. Van den kouden grond,

in eene zegswijze als: een dichter, een philosoof van den kouden grond, d.i. van weinig beteekenis. Het beeld is ontleend aan den tuinbouw, waar men onder den kouden grond verstaat den onbeschutten moes- of tuingrond in tegenstelling van kunstmatig verwarmd terrein, een trekkas, een broeikas. In de laatste worden bloemen en vruchten met zorg gekweekt; in de open lucht, op den kouden grond wordt er minder zorg aan besteed. Vandaar wordt in oneigenlijke toepassing van den kouden grond gezegd van personen, die niet goed onderlegd of voorbereid zijn, aan hunne ontwikkeling niet alle zorg hebben besteed; onbeduidend in hun soort zijn: pooverNdl. Wdb. V, 959.. Vgl. Harreb. II, LXXXIII: Het is een Latinist van den kouden grond; Lvl. 89: De zanger van den kouwen grond; Falkl. IV, 110: Zulk een kwibus, zulk een komiek van den kouden grond te begeleiden was moordenaarswerk; Het Volk, 17 April 1914, p. 2 k. 3: De eerste de beste ouderling te beslissen over een inzicht op grond van jarenlange akademische studie. Dit is inderdaad wel een ‘kultuur van den kouden grond’; Nkr. IX, 26 Juni p. 6: Mijnheer Chagrijn was anti-revolutionair. Booze tongen vertelden, dat-ie 'n anti van den kouden grond was, omdat ie niet in de kerk kwam. - Dat ook de eerste beteekenis ‘niet gekweekt’, ‘van nature’ nog gevoeld wordt, blijkt uit hetgeen W. Kloos van Mr. C. Vosmaer zegt: ‘Als ik met éen woord moest zeggen, wat Vosmaer voor een dichter is, dan zou ik zeggen, dat hij een kunstdichter is. Niet in den zin, zooals men kunstlicht en kunstboter, en kunstbeenen heeft. Want een kunstdichter is toch après tout een dichter, die echt is; alleen maar is 't geen dichter van den kouden grond. 't Is een ongemeene plant, gekweekt in de kassen, van een gladde reinheid en sierlijke deftigheid, maar die dan ook de frissche groening en zelfsgewilde uitgroeiing mist van de vrijtierende planten in de buitenlucht.’Veertien jaar Literatuur geschiedenis (anno 1896) II, 64. In het Westvlaamsch spreekt men van: een filosoof uit een helletje erwten (De Bo, 419 b); in Friesland: in spul fen kâlde foetten.(Aanv.) In de 18de eeuw: een huishoudster op schillen, een slechte huishoudster. Zie Ndl. Wdb. XIV, 652.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut