Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ernst - (plechtige serieuze stemming)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ernst zn. ‘plechtige serieuze stemming’
Onl. ernost ‘kracht’ [ca. 1100; Will.]; mnl. ernst ‘streven, ijver’, erneste ‘nieuwsgierigheid’ [1240; Bern.].
Os. ernust ‘ernst’ (in persoonsnamen) (mnd. ern(e)st ‘ernst, strengheid, toorn’); ohd. ernust ‘ernst, levendigheid, aandacht’ (nhd. Ernst); ofri. ernst ‘ernst’ (nfri. earnst); oe. eornost ‘ernst, ijver; strijd’ (ne. earnest); < pgm. *ernust- ‘strijdlust’ (?), met achtervoegsel -(u)st- bij een wortel pgm. *ern-, *arn- ‘handig, zeker’, waarbij behoren on. ern ‘flink, energiek’ en got. arniba ‘zeker, vaststaand’.
Misschien verwant met de wortel pie. *h1er-/*h1or- ‘in beweging brengen’ (IEW 326-329), waarbij o.a. ook behoren: Grieks órnumai ‘bewegen’, érkhesthai ‘komen’, Latijn orīri ‘opstaan, ontstaan’, Sanskrit iyarti ‘bewegen’. Het is verder verwant met → naarstig, en → rennen.
Lit.: EWgP 105

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ernst* [toewijding, oprechtheid] {er(e)nst 1201-1250} oudsaksisch ernust [ernst], oudhoogduits ernust [strijd, ernst], oudengels eornest, gotisch arniba [veilig], oudnoors ern [sterk]; buiten het germ. latijn oriri [ontstaan, opkomen], oudindisch irya- [beweeglijk, energiek]; de -st is een achtervoegsel dat ook in dienst voorkomt. I.-e. verwantschappen zijn onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ernst znw. m., mnl. erenst, ernst, arenst, ‘ernst’, eig. ‘strijdlust’, os. ernust m. ‘ernst’, ohd. ernust v. o. ‘strijd, ernst’, oe. eornest ‘strijd, ernst’ (ne. earnest). Met het suffix -sti (evenals dienst, gunst, winst) gevormd van een germ. adj. *arni-, *arnja-, waarvoor zie got. arniba ‘vaststaand, zeker’ en on. ern ‘flink, energiek’. — Zie: naarstig.

Het naaste verwant is av. arǝnu ‘wedstrijd’. Verder tot de idg. wt. *er ‘in beweging brengen’, vgl. gr. órnumi ‘bewegen’, érchomai ‘komen’, lat. orior ‘opstaan, ontstaan’, oi. iyarti ‘in beweging brengen’, ṛṇoti ‘zich verheffen, zich bewegen’, irya ‘flink, energiek’. oiers eirg ‘ga’, alb. jerm ‘razend, gek’ (IEW 328) en zie verder: rennen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ernst znw., mnl. er(e)nst, arenst m. v. “ernst”, ook nog “strijdlust”. = ohd. ërnust v. o. “strijd, ernst” (nhd. ernst m.), os. ërnust m. “ernst”, ags. eornest m. (o.?) “strijd, ernst”. Voor het suffix vgl. dienst. Met ablaut (germ. a) on. ern “flink”, got. arnibaasphalṓs” Buiten het Germ. hierbij av. arǝnu- “strijd, wedstrijd”. Wellicht behooren deze woorden met oi. árṇa-, arṇavá- ”golvend” bij den onder rennen besproken wortel ere-. Zie naarstig.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ernst. Ags. eornest is v.
Het znw. staat formantisch wat geïsoleerd: er is niet, zoals bij dienst e.a., een ww.-stam aan te wijzen, waarvan het is afgeleid. Toch is er geen reden de juistheid van de gangbare etymologie te betwijfelen. De poging van Kluge PBB. 41, 181 vlg., om het woord als een oude samenst. te verklaren, mede met het oog op de mansnaam Ernst (reeds ohd.) is niet overtuigend.
Het gebruik als bnw., sedert het Mnl., Mnd., Ofri. (ërnst, alleen als bnw. opgetekend), Vroeg-Nhd. (sedert Luther) zal wel uitgegaan zijn van de praedicatieve functie van het znw. (vgl. vroom, fout). Dit geldt wsch. ook van eng. earnest, dat dan niet zou mogen gelden als de regelrechte voortzetting van ags. eornoste ‘ernstig’, een afl. bij (of casus van?) het znw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ernst m., Mnl. id., Os. ernust + Ohd. ernust (Mhd. ernest, Nhd. ernst), Ags. eornest (Eng. earnest), Ofri. arnst: alleen in ’t Westgerm.; hierbij On. ern = flink, Go. arniba = zonder twijfel: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

erns (zn.) ernst; Aajdnederlands ernost <1100>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ernst bet. oorspr.: strijd, standvastigheid in den strijd, en zag later op den gemoedstoestand tijdens den strijd, waaruit de hedendaagsche bet. ontstond: de toestand, waarin alle scherts verre is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ernst ‘serieuze gestemdheid, oprechtheid’ -> Deens dialect ernst ‘serieuze gestemdheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands ernst ‘serieuze gestemdheid, oprechtheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ernst* serieuze gestemdheid, oprechtheid 1100 [Willeram]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut