Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ergens - (op enige plaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ergens bw. ‘op enige plaats’
Mnl. irgen ‘ergens’ [1240; Bern.], erghen [ca. 1350; MNW], erghent [1408-14; MNW], erghens [ca. 1475; MNW]. Onl. is al de ontkennende vorm (met ni-) → nergens.
Oude Germaanse samenstelling met jonge Nederlandse slot-s, zie → -s.
Mnd. ergens, ergent; ohd. iowergin ‘ergens’ (mhd. iergen, nhd. irgend ‘ergens’); < pgm. *io-hwar-gin. Hiervan is het eerste lid *io < *aiw hetzelfde woord als → eeuw. Het tweede lid *hwar-gin ‘waar dan ook’ is met behulp van een partikel -gin afgeleid van pgm. *hwar ‘waar’ (zie → waar 3 ‘op welke plaats’). Hetzelfde partikel met veralgemenende betekenis komt met ablaut (en zonder grammatische wisseling) voor in got. -hun, bijv. ains-hun ‘iemand’ bij ains ‘een’. Een cognaat met alleen het tweede lid is oe. hwergin ‘ergens’.
Het partikel pgm. *-gin gaat terug op de stam pie. *kwe-ne (IEW 641), dat werd gebruikt om onbepaalde woorden te vormen: Sanskrit -caná in káś caná ‘iemand’, Avestisch -činā ‘een of ander’ en Litouws kana; ook te vergelijken met Latijn quis-que ‘wie ook’ en Hittitisch kuiski ‘iemand’.

nergens bw. ‘in of op geen plaats’
Onl. nieuuergin, niergin ‘nergens’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. nergen ‘nergens’ in gir ne sult nvo gan niergen ‘u mag nu nergens heengaan’ [1201-25; VMNW], nerghens ‘id.’ in nerghens ... dan op die muren ende huysinghe ‘nergens anders dan op de muren en de huizen’ [1379; Claes 1994a].
Gevormd bij → ergens met het Germaanse ontkenningspartikel *ne, waarvoor zie → nee(n).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ergens* [op enige plaats] {ergens, ergent(s) 1285} de t is toegevoegd, vgl. sedert en hoogduits irgend; de s is een formans voor bijwoorden. Vgl. oudhoogduits iowergin, van io (nederlands ie, als in ieder) + hwergin, oudsaksisch hwergin, oudengels hwergen < waar + een achtervoegsel -gin, -gen, te vergelijken met oudindisch cana.

nergens* [op geen plaats] {nerghens 1379, nerghen(t) 1201-1225} met ontkennend n(e) naast ergens.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ergens bijw. en nergens, mnl. (n)erghen, -ent, -ents, -ens (men moet uitgaan van (n)erghen, waaraan een t toegevoegd werd als in sedert en nhd. irgend, nirgend en ten slotte nog een adverbiale s als bijv. in elders), mnd. ergens, ergent en nergen, -ens, -ent, ohd. io-wergin ‘ergens’, onfrank. niewergin ‘non ... usquequaque’. Het woord bestaat uit ie (waarvoor zie: ieder) en hwergin: os. hwergin, ohd. wergin, oe. hwergen, bestaande uit het bijw. waar 3 en een suffix -gin, waarnaast abl. got. -hun, te vergelijken met oi. -cana, lit. kana.

Het mnl. kent daarnaast iewer, niewer, dat nu nog in de westelijke dialecten verbreid is in de vormen (n)iewers, (n)ievers, vgl. ook ofr. āwera, āwēra ‘ergens’, nārne ‘nergens’, oe. (n)āhwær, (n)ōwer (ne. nowhere), samenstelling van io met waar 3.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ergens, nergens bijww., mnl. (n)erghen, -ent, -ents, -ens. De eerste vorm is de oudste, voor de t vgl. sedert en hd. irgend, voor de adverbiale -s elders. Gewoonlijk identificeert men (n)erghen met nhd. (n)irgend, mhd. (n)iergen “(n)ergens”, ohd. iowergin “ergens”, onfr. niewergin “non-usquequaque”. Als we er evenwel op letten, dat in het Mnl. erghen zelden (vooral in holl. teksten) voorkomt, nerghen echter veel algemeener is (hetzelfde geldt blijkbaar van mnd. ergens, ergent: nergen, -ens, -ent), ligt het meer voor de hand in erghen een jonger woord te zien, naast nerghen gevormd, en dit laatste met os. ni-hwergin “nergens” te identificeeren. Voor de negatie ni- zie niet II. Onfr. niergin, in bet. = niewergin, zal eer hiermee identisch dan = os. nihwergin zijn. Ohd. wergin, os. hwergin, ags. hwergen uit hwar (zie waar) + ʒin; -ʒin is een partikel, in bet. = hd. “irgend”; formeel staat ’t in ablaut en gramm. wechsel met got. -hun; vgl. oi. caná, lit. kana (bijv. kanakëk, -këli “eenige”). Lat. –cum in cunque bracht men vroeger hierbij, maar tegenwoordig identificeert men het gewoonlijk met het voegw. cum (zie wanneer). Mnl. synoniemen van (n)erghent zijn (n)iewer, (n)iegherinc, (n)iewerinc.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ergens, nergens. De betrekkelijke zeldzaamheid van mnl. erghen is geen reden om dit voor jonger dan nerghen te beschouwen en de voor de hand liggende identificatie van erghen met nhd. irgend enz. op te geven.
Het mnl. synoniem (n)iewer is vooral in westelijke diall. nog zeer verbreid als (n)iewers, (n)ievers, en gevormd uit (n)ie- (vgl. ieder) + waar III. Dezelfde formatie ook in het Ofri. en Ags.: ofri. âwē̆ra ‘ergens’, nârne ‘nergens’, ags. (n)âhwæ̂r, (n)ôwer (eng. nowhere) ‘(n)ergens’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ergens bijw., Mnl. erghen(s) + Ohd. iowergin (Mhd. iergen, Nhd. irgend), dus samengest. met ie (als edoch, ieder: z.d.w.) en *wergen = ergens, Os. hwergin + Ohd. wergin, Ags. hwergen, een afleid. van hwar = waar, met suffix -gin, verwant met Skr. -cana, Lit. kana, Go. -hun en misschien Lat. -cun- bijv. in quicunque (Fr. quiconque). Volgens anderen is erghen opgemaakt uit nerghen, Onfra. niergin, Os. nihwergin, zoodat het praef. io er niets mee te maken heeft.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

örgens, örges (bijw.) ergens; Vreugmiddelnederlands irgen <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nêrens bw.
Op of in geen plek nie.
Uit Ndl. nergens (al Mnl.), 'n sametrekking van ne 'nie', ergen 'êrens' en die byw. -s.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

êrens: – ergens – , bw. (v. plek); Ndl. ergens, uit ouer ergen + adv. -s, die teenoorgestelde v. nêrens, hou verb. m. Hd. irgend en nirgend, vgl. ook iewers en niewers (in Ndl. veral in westelike dial.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ergens, Os. hwergin, waarin wher = waar? en gin = een of andere plaats.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ergens* bijwoord van plaats 1285 [MNW]

nergens* bijwoord van plaats 1379 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2054. Ergens naar slaan,

ook wel ergens een slag naar slaan, d.w.z. ergens in het blinde naar raden; Kil.: Slaen nae eenigh dinck, j. gheraeden, coniicere, coniectare. De zegswijze luidde oorspr. ‘ergens naar slaan, als de blinde naar het ei’, zooals blijkt uit Lekensp. I, 2, 60:

 Niement en mach volweten
 Sine (Gods) ghedane, noch sijn wesen;
 Ende die daer meest na lesen,
 Dolen meest weder ende wey,
 Alse die blinde die slaen na tey,
 Dat haerre gheen gheraken en canMen moest trachten geblinddoekt een ei, dat aan een koord was opgehangen of op den grond was gelegd, met een stok stuk te slaan..

Zie verder Sp. d. Leken, 78 r: Hi sloecher vaste mit een stocke na, ghelijc dat die blinde na den eye doet; Hild. 169; 463: den blinden slach slaen, in den blinde slaan; Teest. 1475; 1496; Mnl. Wdb. VII, 1215; Campen, 123: ick slae daer nae als die blinde nae 't Ey; Servilius, 40: hy slaet daer na gelyc de blinde na dey; Pf. Muller, 584 (anno 1607), bl. 2 v: Desen slaet als eenen blinden naer 't ey metter gis; Hooft, Tac. Ann. 280; Harreb. I, 62 a; III, 131 b; Erasmus, CCLXVI; Schuermans, 60; Joos, 28: slaan gelijk de blinde naar 't ei; Antw. Idiot. 400: blindeislaan, geblinddoekt naar een ei slaan; 1112: naar iet slagen, er naar raden; naar iet slagen gelijk 'nen blinde naar 'en ei; Waasch Idiot. 123 b; 594 a; Tuerlinckx, 85: blindemanslaan; Kinderspel IV, 148-150. In het Friesch: hy slacht (of riedt) der nei as de bline nei 't aei en hy slacht der in slach nei. Zie no. 2058 en vgl. het vroegere blindpotten, slaan naar een pot, dien men niet kon zien; in den blinde handelen (Ndl. Wdb. II, 2862).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut