Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-eren - (achtervoegsel bij werkwoorden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-eren achterv.
De meeste werkwoorden op -eren zijn ontleningen aan het Frans. Het achtevoegsel correspondeert dan met de Franse infinitief-uitgang -er.
Pas in het Nieuwfrans (na de 16e eeuw) is de uitgang -er gaan overheersen, daarbij in de plaats komend van het oudere -ier. Het Nederlands, dat al die tijd in levendig contact is geweest met het Frans, heeft deze ontwikkeling overgenomen. Het Middelnederlands heeft dan ook steeds vele werkwoorden op -ieren, bijv. hantieren (zie → hanteren), schoffieren (zie → schofferen). In het Duits, dat na de Middeleeuwen veel minder in contact met het Frans is gebleven, is de oude situatie blijven bestaan en is de met Frans -er corresponderende uitgang nog altijd -ieren.
Lit.: Schönfeld 1970, par. 162

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-eren [uitgang van de onbepaalde wijs van werkwoorden] {in bv. sermoneren [een rede houden] 1265-1270} < frans -er, de uitgang van de onbepaalde wijs, maar is in het nl. productief geworden, bv. in conveniëren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

-eren suffix ter vorming van ww. uit franse ww. op -er < lat. -āre, vgl. mnl. -ēren, mnd. -ēren, ofri. -ēra, -ēria. Daarnaast ook mnl. -ieren < fra. -ier. Oorspronkelijk werd het achtervoegsel alleen gebruikt in aan het frans ontleende ww., maar later werd het ook productief in afleidingen van nl. woorden, zoals boeleren, halveren, hoereren, redeneren, waarderen (vgl. W. de Vries, Programma Gymn. Groningen 1920-1, 190 vlgg. en v. Haeringen Suppl. 43).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† -e[e]ren suffix, ter vorming van ww. uit ofr. -er < lat. -âre, mnl. -êren, mnd. -êren, ofri. -êra, -êria, ook in de scand. talen ontleend. Hiernaast mnl. -ieren, mhd. -ieren (hd. -ieren) uit ofr. -ier. Ospr. alleen productief in ontleende woorden, later werden ook van ndl. woorden ww. op -e[e]ren gevormd, als boele[e]ren, halve[e]ren, hoere[e]ren, redene[e]ren, waarde[e]ren, vgl. ook trotse[e]ren. (Zie over een en ander W. de Vries Woordv. 190 vlgg.). Soortgelijk verloop in het Hd. De. Zw.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

-eren (Frans -er)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut